God waakte over naleving van de klassieke moraal

Kan een moraal op eigen, niet-religieuze benen staan? Het onlangs verschenen rapport 'Secularisatie in Nederland 1966-1991' roept vragen op over de betekenis van godsdienst voor de Nederlandse samenleving. Volgens A. van den Beld hebben gelovigen meer reden om morele regels serieus te nemen dan niet-gelovigen. P.B. Cliteur vindt dat ook het humanisme een dergelijke rol kan vervullen.

Behoort de teruggang van het geloof in God, samen met onder meer de toegenomen welvaart en de pil, tot de zegeningen van de moderne tijd? De schrijver van 'In de marge' in NRC Handelsblad van 18 februari lijkt dit te suggereren. Deze suggestie is op het eerste gezicht niet onzinnig. Nog onlangs schoot een 'zeloot voor de God van Israel' enkele tientallen Palestijnen dood. IJveraars uit andere theïstische religies deinzen ook niet terug voor moordpartijen: katholieke IRA-leden en protestantse Unionisten in Noord-Ierland, David Koresh en zijn adventistische sekte in de Verenigde Staten, islamitische Hezbollah- en Hamasleden in het Midden-Oosten. Wat minder geloof in God lijkt daarom geen kwaad te kunnen.

Deze redenering gaat evenwel te snel. We hebben in alle genoemde gevallen met ontaarde godsdienst te maken. Godsdienst kan van een groot goed in zijn tegendeel veranderen. Het Latijn zegt het bondig: corruptio optimi pessima - het bederf van het beste is het slechtste. De veronderstelling bij deze tegenwerping is dat godsdienst iets bijzonder waardevols is. De vraag waarin die waarde bestaat ligt nu voor de hand. Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar een atheïstische filosoof uit de vorige eeuw, Friedrich Nietzsche. Laten we gemakshalve godsdienst reduceren tot geloof in God en ons beperken tot dit geloof binnen het christendom. Nietzsche hield het christelijk geloof zonder reserve voor 'heilsam, beruhigend und wohltuend', kwaliteiten die het atheïsme volgens hem mist. Wat is er dan zo heilzaam, rustgevend en weldadig aan dit geloof? Het is de overtuiging dat er een God is die het goede van ons vraagt, ons liefheeft en in alle ellende het beste voor ons wil (Menschliches, Allzumenschliches I, 3, 109). Voor Nietzsche was deze overtuiging onwaar. Maar hij was bereid te erkennen dat het leven van de gelovende mens, indien God bestaat, door dit geloof uitermate wordt verrijkt. Ik ben het hierin met hem eens. Het hoeft weinig betoog om in te zien dat het leven in relatie met een God die ons bemint en in alle mogelijke ellende het goede met ons voorheeft een Godloze wereld in waarde verre te boven gaat.

Stel, je bent een invalide geworden betonvlecher, een weggesaneerde ingenieur, een geslaagde zakenvrouw met een scherpe blik voor de vergankelijkheid van succes, of gewoon een doorsnee burger, redelijk gezond, met partner en baan - en je ervaart 'het vriendelijk aangezicht' van God in je leven. Geeft zo'n ervaring niet een bijzondere diepte en glans aan het leven en draagt zij niet wezenlijk bij aan de waarde ervan? Nu zou men kunnen zeggen dat dit een irreële voorstelling van zaken is. Dat mensen wel oprecht kunnen menen Gods goedheid te ervaren, maar in feite iets anders gewaarworden. Deze tegenwerping geeft blijk van een modern vooroordeel samenhangend met de fundamentele vooronderstelling dat God of niet bestaat, of, indien hij bestaat, niet gekend en ervaren kan worden. Maar die vooronderstelling hebben we juist tussen haakjes gezet. Het ging ons immers om de relatieve waarde van een wereld en een leven met God, gesteld dat hij bestaat.

Tot nu toe ben ik voorbijgegaan aan het eerste van de genoemde kenmerken van God die volgens Nietzsche zo wezenlijk zouden bijdragen aan de waarde van leven en wereld. God verlangt het goede van ons. Nietzsche brengt de verplichtingen van de klassieke moraal - niet doden, niet liegen, niet stelen, niet echtbreken - in verband met Gods wil. God is het uiteindelijk die het goede van ons verlangt. Kan de moraal dan niet op eigen, niet-religieuze benen staan? Nietzsche had daar niet veel fiducie in, om het zwak te zeggen. En zijn scepsis kon wel eens gefundeerder zijn dan het optimisme van menig modern moraalfilosoof.

Dat wil niet zeggen dat je niet fatsoenlijk zou kunnen leven als je niet in God gelooft. De meeste mensen, neem ik aan, ontduiken de belastingen niet, nemen geen steekpenningen aan, bedriegen hun partner niet en gaan zich niet aan moord en doodslag te buiten. Willem Elsschot beschrijft in een van zijn gedichten hoe een man overweegt de vrouw op wie hij is uitgekeken te vermoorden. Uiteindelijk ziet hij van de misdaad af, “want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, een die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.” De wet met haar sancties verschaft ons een goede reden om ons voor het oog fatsoenlijk te gedragen. Immoreel gedrag stuit ook op (andere) praktische bezwaren. Onze baan kan gevaar lopen, en zo niet onze baan dan toch onze reputatie. Bovenal zijn het gevoelens, waarvan Elsschots weemoedigheid een specimen is, die ons voor immoraliteit behoeden.

“Secularisatie betekent niet dat mensen hun normen kwijtraken en er maar op los gaan leven”, zegt Becker, een van de schrijvers van het secularisatierapport, in deze krant. Gelijk heeft hij. De moraal heeft eigen benen, maar de vraag is of deze benen sterk genoeg zijn. Het is een vraag die menigeen die wat verder kijkt dan zijn neus lang is heeft beziggehouden en bezighoudt. Als ik me niet vergis, behalve Nietzsche, ook onze minister van justitie. Het lijdt in ieder geval geen twijfel dat iemand die de morele regels ziet als uitdrukkingen van de wil van God “die ons liefheeft en in alle ellende het goede voor ons wil” een gewichtige reden heeft om de moraal uiterst serieus te nemen. Er lijkt me alle aanleiding om de winst- en verliesrekening met betrekking tot de 'dalende populariteit van God' opnieuw op te maken.