'Eerste Europese Neil Young-dag' in Paradiso; Weltschmerz en decibellen

Nog niet zo lang geleden was het ongepast om je als fan van de 'oude hippie' Neil Young te etaleren, maar tegenwoordig kan hij er weer helemaal mee door.

De Amerikaanse zanger-gitarist geldt inmiddels als een van de peetvaders van de moderne rockmuziek. Met zijn combinatie van romantische gitaarlyriek - kenmerkend voor de vroege jaren zeventig - en primitieve heavy metal-rock, heeft de nu 48-jarige Young zich ontpopt als inspiratiebron voor veel eigentijdse gitaarbands in het grunge-genre. Hele jaargangen neo-hippies en retro-rockers spelen weer zijn muziek, van de supermarkt-hit 'Heart of Gold' tot het snoeiharde elektrische geweld van 'Hey Hey My My (Rock 'n' Roll Can Never Die)' en 'Down by the River'.

Nu is de muziek van Neil Young makkelijk na te spelen, maar moeilijk te evenaren. In tegenstelling tot het werk van zijn generatiegenoot Bob Dylan bieden Youngs composities, met hun simpele opbouw en strakke melodielijnen, maar weinig ruimte voor interpretatie. De kracht komt vooral van Youngs eigen inzet, zijn van Weltschmerz druipende stemgeluid en gitaarspel. “Het zijn qua opbouw vrij saaie nummers, merkten we bij de repetities,” aldus de manager van een van de bands die zaterdagavond in het Amsterdamse Paradiso Youngs werk vertolkten op de 'eerste Europese Neil Young-dag', georganiseerd door de Groepen Raad Amsterdamse Popmuziek (GRAP).

Bij die uitvoeringen, door vijf Nederlandse en één Britse band bleek eens temeer hoezeer de zeggingskracht van Youngs composities wordt bepaald door zijn onmiskenbare stijl. Ook belangrijk is overigens Youngs bizarre podium-voordracht, geïnspireerd door een gepast gevoel voor dramatiek en een rijke medische voorgeschiedenis (Young was epilepsie-patiënt). Intens geconcentreerd op zijn gitaarspel sjokt hij met dinosaurus-achtige danspasjes over de planken, gebukt onder het menselijk leed dat hij met tientallen decibellen tegelijk de zaal in jaagt.

Het waren in Paradiso dan ook de zangers zònder eigen gitaar die het het moeilijkst hadden. Wild flappend met armen, schokschouderend, handen in en uit broekzakken en roffelend op bierblikjes, probeerden ze hun ongemak tijdens de instrumentale breaks te camoufleren. Niet erg overtuigend was de leadzanger van The Cornfields, die zich blijkens zijn klapwiekende presentatie kennelijk had vergist in het feestvarken en eerder Joe Cocker dan Neil Young imiteerde (polio versus epilepsie). Ook de voorman van June's High, een band die een op zich verdienstelijke cajun-draai gaf aan enkele Young-composities, had grote moeite de spanning in de nummers vast te houden. “Dit was verveling vol overgave,” merkte een omstander op. Van enige Youngiaanse zelfspot was geen sprake.

De meeste respons in het goed gevulde Paradiso kreeg de macho-gitaarrock van Giant Family, een geoliede rockmachine die tevens de meest smaakvolle selectie van de avond neerzette. Deze klassieke blanke seventies-rockers traden aan na een wervelende set van de zwarte rap-band 'Bonecrushin', waarvan de in oliepak geklede voormannen alleen zijdelings naar Neil Young en zijn 'Heart of Gold' verwezen in een snoeiharde en opwindende set. Het had niets meer met Neil Young te maken, maar het was wel de act die de wispelturige meester zelf waarschijnlijk het meest had gewaardeerd.

    • Sjoerd de Jong