De mens kan zelf invulling geven aan zin van het leven

Kan een moraal op eigen, niet-religieuze benen staan? Het onlangs verschenen rapport 'Secularisatie in Nederland 1966-1991' roept vragen op over de betekenis van godsdienst voor de Nederlandse samenleving. Volgens A. van den Beld hebben gelovigen meer reden om morele regels serieus te nemen dan niet-gelovigen. P.B. Cliteur vindt dat ook het humanisme een dergelijke rol kan vervullen.

Nederland, eens een vrome natie, is in vijfentwintig jaar een van de meest geseculariseerde landen ter wereld geworden. Maar betekent het nu ook dat Nederlanders geen behoefte meer hebben aan een zingevingskader? Of kalft alleen de invloed van het christelijk zingevingskader af en ligt daarmee de weg open voor andere zingevingskaders?

Een van de SCP-onderzoekers, J.W. Becker, deed enkele interessante uitspraken in een vraaggesprek met NRC Handelsblad op 17 februari: “Wellicht zijn we als intellectuelen geneigd te denken dat alle mensen behoefte hebben aan zingeving. Ik denk dat die behoefte wat overtrokken is.” Op de vraag hoe het nu is voor degenen voor wie God, hemel en hel hebben afgedaan, antwoordt hij: “Voorlopig - met nadruk op voorlopig - zie ik er niet veel voor in de plaats komen. Zingeving lijkt beperkt te blijven tot wat existentiële stellingen als: ieder moet zijn eigen leven zin geven, je moet er zelf iets van maken.” Dit laatste kan volgens Becker kennelijk geen serieus alternatief zijn voor de traditionele orthodoxieën.

In tegenstelling tot Becker denk ik dat mensen wel degelijk behoefte hebben aan een zingevingskader. Ook in een pragmatische en postmoderne tijd zullen vragen worden gesteld over de zin van het leven, of over wat de mens is. Het kan dus ook niet anders of de afkalving van het geloof in God, hemel en hel zal op de een of andere manier anders worden ingevuld. Een interessante vraag die men naar aanleiding van het SCP-onderzoek kan stellen, is wat de kansen zijn voor een herleving van de humanistische inspiratiebronnen van de Europese cultuur.

De Europese cultuur is een fusie van antieke of humanistische en joods-christelijke invloeden. Aan de Grieken ontlenen we het centraal stellen van de mens, het vertrouwen in de rede en een oriëntatie op een natuurlijke orde. Het komt pregnant tot uitdrukking in de uitspraak van de Griekse filosoof Protagoras dat de mens de maat is van alle dingen. Keer op keer komt dit perspectief terug: in het zoeken en vragen van Socrates, de nadruk op matiging van Aristoteles, de tolerante houding van Erasmus, het zoeken naar een seculiere grondslag voor het recht bij Hugo de Groot, de nadruk op menselijke mondigheid bij Kant en de proclamatie van de mens als zingever bij Sartre. Aan de joods-christelijke cultuur ontlenen we een geloof in vooruitgang, christelijke waarden als naastenliefde en een oriëntatie op een transcendente schepper als de maker van het universum.

Volgens sommigen is vooral in Nederland het humanisme tot 'gesunkenes Kulturgut' geworden. De Utrechtse socioloog P. Thoenes heeft gewezen op gemeenschappelijke kenmerken van de humanistische traditie die vooral in Nederland invloed hebben gehad. Hij noemde het streefbeeld van de onafhankelijke mens, de niet slaafs aan extern gezag onderworpene, de zich ontplooiende, de speurende; het bewustzijn van eigen verantwoordelijkheid en de gerichtheid op het willen maken van eigen keuzen binnen de context van medeburgers die tot hetzelfde in staat en bereid zijn; de bereidheid een eigen wereld te creëren, een pogen om in een grotere historische context een eigen bestaan in te richten, waarop men trots zou kunnen zijn; een individualisme, ingebed in het besef van een sociale gelijkwaardigheid. Dit is waardoor de verlichte burgerij zich eeuwenlang in Nederland heeft laten inspireren, schrijft Thoenes. Hij meent dan ook dat we in Nederland kunnen spreken van volkshumanisme.

Het is juist dat het Nederlands Humanistisch Verbond niet de groei heeft gekend die de oprichters daarvan verwachtten. Maar dat neemt niet weg dat de humanistische waarden zo wijd verbreid zijn dat er minder levensbeschouwelijke leegte is dan men wel eens doet voorkomen. Te weinig realiseren we ons dat veel keuzen die we in het dagelijks leven maken worden geschraagd door een gemeenschappelijk gedeelde overtuiging over bepaalde waarden op een puur seculiere grondslag. Zoals het christendom zich uitdrukt in de Tien Geboden als grondslag voor recht en maatschappij, zo drukt het humanistisch perspectief zich uit in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties proclameerde deze in 1948 “als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal”.

In de universele verklaring is de verwijzing naar een schepper niet meer te vinden. In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring uit 1776 stond nog dat “all men (...) are endowed by their Creator with certain unalienable Rights”. Tijdens de totstandkoming van de universele verklaring werd nog wel geprobeerd om een verwijzing naar God op te nemen, maar dat voorstel is niet aangenomen. Een vertegenwoordiger in de commissie die de verklaring opstelde was daarover heel duidelijk: “no reference to a godhead should be made in a United Nations document, for the philosophy on which the United Nations was based should be universal”. Dat laatste perspectief heeft de doorslag gegeven.

Wanneer men de preambule van de universele verklaring leest zal opvallen dat daarin alleen naar typisch menselijke waarden en een menselijke grondslag wordt verwezen. De grondslag voor de Verklaring wordt gevonden in de 'inherente waardigheid' van de mens. Men stelt dat alle leden van de mensengemeenschap een inherente waardigheid en gelijke en onvervreemdbare rechten hebben. Het zijn deze drie uitgangspunten die de grondslag vormen voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld. Een sleutelrol vervult ook artikel 1 van de Verklaring: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen”.

Niet alleen bestaat over mensenrechten inhoudelijk een brede consensus, maar zij hebben zich ook steeds meer ontwikkeld van ethische richtlijnen tot effectieve beoordelingsmaatstaven. Zij worden door rechters toegepast tegen de regering en door regeringen gehanteerd om andere regeringen te kritiseren. Schending van mensenrechten vormt tenslotte ook voor ons zelf een grondslag voor onze afkeuring en verontwaardiging. De meeste mensen wijzen het doodvonnis over Rushdie niet af omdat ze het uit christelijk oogpunt verkeerd vinden (dat zou ongetwijfeld de reactie zijn geweest wanneer de kwestie in de zestiende eeuw had gespeeld), maar omdat het in strijd is met onze nieuwe seculiere grondslag van recht en maatschappij. Het is in strijd met mensenrechten die gebaseerd zijn op een typisch seculiere grondslag: menselijke waardigheid en gelijke rechten.

Een en ander sterkt mij in het vermoeden dat de secularisatie weliswaar de afgelopen vijfentwintig jaar in Nederland in een stroomversnelling kan zijn gekomen, maar dat het hierbij gaat om een proces dat zich al veel langer afspeelt in de Europese cultuur. Een perspectief van waaruit mensen zelf zin geven aan hun leven kan niet te snel als ongeloofwaardig substituut voor de traditionele orthodoxieën worden verworpen. In feite is dat proces sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog aan de gang. We oordelen en kritiseren uit een typisch menselijke grondslag die een basis biedt voor verdere ontwikkeling en een serieus alternatief lijkt te bieden voor de religieuze bronnen van de Europese cultuur.