Angst voor de ontzuiling

Vorige week heeft Nederland veel van zijn onschuld verloren. De uitdrukking “zo zijn wij niet” riekte altijd al teveel naar eigendunk, maar is nu een leugen geworden. Ons land deelt in de vlaag van etnische onrust die over Europa waait. De tweede maart is tegelijk de dag waarop de speelse afkeer van de politiek in de denkende en ondernemende bovenlaag door de wat rauwere werkelijkheid is ingehaald. Al dat stoere fatalisme over de gevestigde partijen is in de onderbuik van de samenleving tot volle wasdom gekomen en is helemaal niet meer zo leuk.

We staan op de drempel van een verreikende ontzuiling van de politiek. Of die overschreden wordt zal moeten blijken, want het electorale verval van het CDA is pas onlangs ingezet. De twee partijen die het naoorlogse Nederland in hoge mate vorm hebben gegeven, de sociaal- en christen-democraten, hebben in ieder geval heel wat veren gelaten. De vraag is of de beide liberale oppositiepartijen, op een eigen wijze hun rol kunnen overnemen. Anders gezegd: leidt de weg van ontzuiling naar maatschappelijke ontbinding of naar eigentijdse burgerzin?

De noodzaak van een nieuwe overdenking wat Nederland als gemeenschap bijeen houdt, kan moeilijk worden ontkend. De veranderende samenstelling van de bevolking is voor velen een ingrijpende ervaring. In Amsterdam zal volgens de gemeentelijke statistici in het jaar 2010 ongeveer de helft van de mensen onder de dertig jaar een allochtone achtergrond hebben. Tegen die tijd zal niet meer over minderheden gesproken worden. Zo'n drastische verandering doet een groot beroep op het talent van onze bestuurders.

Het aantal stemmen op de CD, CP'86 en SP is het topje van een ijsberg. Want wie op zulke gediscrediteerde partijen stemt verkeert in hoge nood. Achter deze kiezers gaan vele anderen schuil, die ook niet meer geloven in 'de' politiek en een wrok koesteren jegens buitenlanders. Er is geen reden om zonder meer aan te nemen dat de opgehoopte culturele en sociale spanningen een vreedzame uitweg zullen vinden.

Bij de verkiezingen is de helft van het verlies van de regeringspartijen, zestien van de tweeëndertig zetels, naar de liberalen van VVD en D66 gegaan. Op zichzelf is winst voor de oppositie in tijden van economische recessie niet verrassend. Maar de omvang van de verschuiving duidt op meer dan alleen voorbijgaande ontevredenheid met CDA en PvdA. Deze stemmers staan voor de mondige burgers die zonder de betutteling van de verzuilde partijen willen leven. De andere zestien zetels zijn uitgewaaierd naar de randen van het politieke landschap. Een deel daarvan is terechtgekomen bij de populistische partijen van links en rechts. Die stemmers staan voor de bange mensen, die het geloof in de beschermende hand van beide volkspartijen hebben verloren.

“Democratie is niet voor bange mensen”, bromde Henk Vonhoff, op de vraag van een verslaggever of hij niet was geschrokken van de uitslag van de verkiezingen. Hoewel hij het vast over zijn eigen burgermoed had, formuleerde de commissaris van de koningin een beangstigende waarheid. Het waren inderdaad de bange mensen in ons land die zich vorige week van de gevestigde partijen hebben afgewend en men mag toch hopen dat de democratie er ook voor hen is.

Oog in oog met de neergang van CDA en PvdA vergaat menigeen het lachen. De verhandeling van Wesseling een dag na de verkiezingen is een mooi voorbeeld van vervlogen ironie. Niet lang geleden schreef hij nog in denigrerende bewoordingen over de CDA-fractie in de Tweede Kamer als “een zompige massa”. En zie, nu datzelfde CDA in problemen verkeert, moeten we toch vooral stemmen op de confessionelen, aan wie we immers zo ongeveer alle verworvenheden in Nederland te danken hebben. Uit deze historische overdrijving spreekt vooral angst voor de ontzuiling.

Maar is er een weg terug naar de zekerheid die PvdA en CDA boden? Beide partijen zijn slordig met hun eigen erfgoed omgesprongen. Voordat de kiezers hen in de steek lieten, hebben ze zichzelf verwaarloosd. Het waren de PvdA en de voorlopers van het CDA die de verzorgingsstaat hebben voortgebracht zoals we die kennen. Het zijn dezelfde partijen die zich in de afgelopen jaren aan de opdracht hebben gezet om de sociale zekerheid te ontdoen van haar woekeringen en misbruik. Daarbij zijn begrijpelijke, maar ernstige vergissingen gemaakt.

Uit het verzet tegen de plannen met de WAO en nu met de AOW, blijkt niet alleen maar behoudzucht bij de groepen die deze partijen historisch vertegenwoordigen. De kern van de verzorgingsstaat is onderdeel geworden van onze nationale identiteit; het is een soort 'civiele religie' die Nederland aaneen heeft gesmeed. Wie daarin veranderingen wil aanbrengen, en die zijn dringend nodig, moet heel zorgvuldig tewerkgaan. En dat is niet gebeurd. Het is ook moeilijk om een eigen kunstwerk te reviseren.

Kunnen de partijen die de wederopbouw van Nederland hebben gedragen, ook het vehikel zijn van de ingrijpende verbouwing van het naoorlogse sociale compromis? Beschikken ze over het aanpassingsvermogen om onder heel andere omstandigheden opnieuw uit te vinden wat de burgers van dit land verenigt? We luisteren naar het laconieke commentaar van Brinkman - “we moeten onze boodschap beter uitleggen” en naar de schuldbewuste aankondiging van de PvdA - “we moeten de wijken in” - (letterlijk hetzelfde werd gezegd na de nederlagen in 1982 en 1990), en we vragen ons af of deze partijen een overtuigend idee hebben hoe hun traditie kan worden aangepast en voortgezet. De PvdA tobt al sinds 1986 met zichzelf.

De kiezers wachten daar niet op en verstoren de geijkte patronen. Stel dat de neergang van de PvdA en CDA zich verder aftekent - de vergrijzing van het ledenbestand en de kiezers van deze partijen wijst voorlopig in die richting - dan duikt ineens een bange vraag op. Beschikken de liberalen van links en rechts wel over de woorden die de gemeenschap opnieuw omschrijven?

Het is in kringen van de VVD en D66 gebruikelijk om te zeggen dat de publieke zaak alleen gediend wordt wanneer burgers daarin hun eigen belang herkennen. Daarmee wordt de zelfstandige rol die moraal in de samenleving speelt min of meer weggeredeneerd. Ouderwetse gedragscodes als mededogen, solidariteit en naastenliefde verdonkeremanen in die optiek alleen maar de rationele wederkerigheid van de verzorgingsstaat.

En zie, nu de mogelijkheid van een ontzuilde politiek zich steeds meer opdringt, begint de twijfel: is het niet ook een ontzielde politiek. Het is interessant om te vernemen dat de voorman der liberalen, Bolkestein, de zwakte van zijn beginselen erkent: “Hoe groter de fysieke en maatschappelijke mobiliteit, hoe meer behoefte er is aan een bezielend verband.” Hij gaat nog een stap verder: “We leven nu in een maatschappij die op drift is geraakt, met een miljoen allochtonen in het jaar tweeduizend. De verwijzing naar het christendom moet daarom misschien weer terug in ons programma” (NRC Handelsblad, 5 maart 1994).

Zo wordt op de drempel van de ontzuiling met terugwerkende kracht het belang van de sociaal-democratie en de christen-democratie zichtbaar. Of dat in de ogen van de kiezers meer dan een nostalgische betekenis heeft, zullen we snel weten. Hubert Smeets zag in de verkiezingsuitslag een 'Dubbele integratiecrisis' (NRC Handelsblad, 3 maart). Beide volkspartijen, de PvdA voorop, zijn bekneld geraakt tussen al die weerbare burgers die hun eigen weg wel denken te vinden en een groeiend leger van 'vreemdelingen in eigen land', die het spoor bijster zijn. Achteraf bezien wekt het misschien meer verbazing dat deze groepen zo lang in dezelfde partij verkeerden. Een ding is echter zeker: in het kleine Nederland komt iedereen elkaar tegen, vroeger of later, goedschiks of kwaadschiks.

    • Paul Scheffer