Afscheid van Nederland (5)

Beste Maurice,

Bij jou in Menton - zo te zien aan het poststempel - loopt een gek los rond. Een Nederlandse gek, die mij al maanden bestookt met brieven waarin hij eist dat ik in het openbaar mijn dank betuig aan dit land, dat mij niet alleen opnam maar mij tot nu toe ook aardig mijn brood heeft laten verdienen. Mocht ik dat blijven weigeren, dan zal ik dat ooit nog eens flink berouwen, zo belooft hij mij.

Bovendien zegt hij dat hij uit een boekje dat ik over de Nederlanders heb geschreven, waar hij niet erg over te spreken is, de in zijn ogen meest saillante passages voor een paar vrienden heeft vertaald, waarna die eensgezind tot de conclusie kwamen dat als ik in Frankrijk woonde en het lef had om zulke dingen over de Fransen te zeggen, het niet lang zou duren of ik zou er danig van langs krijgen.

Nu ben ik inmiddels gewend geraakt aan dit soort dreigementen en of ze nu anoniem of ondertekend zijn, ze verdwijnen zonder uitzondering in de prullenmand. Nochtans heb ik het ook vaker meegemaakt - en dat irriteert me mateloos - dat goede en goedwillende mensen eveneens wilden weten of ik niet dankbaar ben voor het feit dat ik hier zoveel jaren van mijn leven in alle rust en comfort heb kunnen doorbrengen. Mijn antwoord is een onomwonden nee.

Ik, die hier werk, belasting betaal, de wetten en de mensen respecteer en niet meer privileges geniet dan de doorsnee burger, begrijp niet waarom men in hemelsnaam van mij verwacht dat ik dankbaar zou zijn. Of het moet zijn dat de mensen wel dènken dat ze iets vragen, maar dat ze mij in feite onbewust beschuldigen. Dat het hen er eigenlijk niet om gaat mijn woorden van dank te horen, maar aan de weet te komen of ikzelf meen dat ik het recht heb in een vreemd land te wonen. En mijn antwoord is een volmondig ja.

Alleen wordt die vraag helaas nooit zo simpel gesteld aan emigranten, illegalen en ballingen. Of ze nu gevlucht zijn voor armoe of onderdrukking, of slechts gezwicht voor de lokroep van het avontuur, de gevolgen worden hen pas onthuld wanneer hun beslissing niet meer terug te draaien is.

Heel geleidelijk zullen ze zich bewust worden van het wankele evenwicht van hun bestaan. Ze zullen inzien dat de beledigingen die hen kwetsen niet altijd bedoeld en de meelevende klaagzangen van de zogenaamde weldenkenden niet altijd gemeend zijn. En als ze er niet in slagen om op eigen kracht of met hulp van anderen te integreren in de samenleving die hen heeft opgenomen, dan zullen de emigranten, wanneer ze voor zichzelf de balans opmaken, ontdekken dat er sinds het begin der tijden niets veranderd is: zelfs als de gift symbolisch is verwacht de schenker dankbaarheid; dankbaarheid brengt onderdanigheid voort; wie zich onderwerpt verliest de gelijkheid met zijn medemens en kent zichzelf een tweederangs positie toe, waardoor hij de deur openzet voor vernederingen. En zoals noodgedwongen moet worden vastgesteld is het primitieve denken, ondanks alle door geloofsvoorschriften en politieke vorming geboekte vooruitgang, nog steeds een élément fixe van de intermenselijke relaties. In veel gevallen - de nederige emigranten weten dit beter dan wie ook - is het nog steeds niet de wet die het gebruik van de knots dicteert, maar de knots die de mate van toepassing van de wet bepaalt.

Denk nu niet dat ik momenteel reden tot klagen heb, want dat is niet zo. Maar misschien hebben het grauwe weer en de brief van die gek daar bij jou in de buurt een paar verdrongen angsten opgerakeld uit de lang voorbije tijd dat ik iedere maand een stempel moest gaan halen bij de vreemdelingenpolitie, en de dienstdoende agent mij zonder een zweem van ironie vroeg wanneer ik van plan was om op te hoepelen.

Hartelijke groeten.

    • J. Rentes de Carvalho