Waterland

T. Stol: Wassend water, dalend land. Geschiedenis van Nederland en het water

168 blz., geïll., Kosmos 1993, ƒ 24,90

Net als in het noorden van het land werden vroeger in Zeeland en Vlaanderen terpen op de kwelder- of schorgronden opgeworpen. De bevolking kon zichzelf en het vee hiermee hoeden tegen de hoogste vloeden. Zulke terpen werden in Zeeland wel 'stelbergen' of 'stellen' genoemd. Om het vee van zoet water te kunnen blijven voorzien werd in het midden van een stelle een kuil gegraven waarin regenwater werd opgevangen, waarvandaan de aanduiding 'holle stelle'. De meeste van deze Zeeuwse terpen zijn in de loop der eeuwen afgegraven of geëgaliseerd, zoals ook die in het Noorden sterk zijn uitgedund.

Voor wie het vorig jaar verschenen lijvige werk 'Leefbaar laagland' toch even te prijzig uitviel, is er nu het alleszins betaalbare Wassend water, dalend land. Dit nieuwe deeltje in de reeks Kosmos Historisch voegt in details trouwens hier en daar iets toe aan de grote broer, vooral over de noordelijke provincies. Historisch-geograaf Taeke Stol, enkele jaren geleden gepromoveerd op een dissertatie over turfwinning en ontginning in de Geldersche Vallei en co-auteur van het eerstgenoemde boek, bezorgde op eigen kracht dit beknopte overzicht van onze 'natte geschiedenis'. In een 13-tal hoofdstukken zet hij de ontwikkelingen in vooral de lage delen van Nederland, van voor het begin van onze jaartelling tot op heden, op een rij. Hij verschaft een helder beeld van de strijd tegen en de bondgenootschappen met onze belangrijkste belager en vriend, het water.

Het water is niet alleen onze gevaarlijkste buur maar, zoals de recente rivieroverstromingen hebben getoond, ook een agressieve kostganger. De strijd tegen de zee is reeds in vele toonaarden beschreven en grootse veroveringen op het zilte nat hebben de Nederlanders tot ver buiten de grenzen faam bezorgd. Dat vele overwinningen op deze buur in feite niet meer waren dan heroveringen van eerder verloren gebieden is veel minder bekend. Hetzelfde geldt voor de meeste polders in het Hollands-Utrechts veenweidegebied, dat tijdens de Middeleeuwen rijke, ruim boven zeeniveau gelegen akkers kende. Deze kostganger hadden we dan nog zelf uitgenodigd: door afgraving en inklinken van het veen als gevolg van voortdurende ontwatering werd wateroverlast onvermijdelijk.

Regelmatige oeverafslag rond enkele natuurlijke meren, mede als gevolg van vervening, en overstromingen door verwaarlozing van dijken vormden verder nog grensgevallen, maar tegen een brutale indringer als een rivier was niet veel te beginnen. Men had het uit het mondingsgebied geprobeerd met het opwerpen van lage dijken, maar de beteugeling bracht mee dat het opgestuwde water bij dijkdoorbraak grotere schade teweegbracht dan voorheen.

Als de dijken het begaven was dit overigens meestal het gevolg van zware ijsgang in de rivieren. Het ijs hoopte zich op achter obstakels en stuwde het water op tot het over de dijk spoelde en deze vanaf de landzijde vernielde. Het gevolg was dat diepe stroomgaten - 'wielen' of 'waaien' - in de dijk ontstonden. Herstel ter plaatse was dan ook niet meer mogelijk en het nieuwe dijklichaam werd altijd met een boog om het wiel heengelegd, dat hierbij zowel binnen- als buitengedijkt kon worden. Plassen (wielen) langs de lussen in dijklichamen getuigen tot op heden van de honderden doorbraken die het rivierengebied door de eeuwen hebben geteisterd.

Ook dwarsdijken of zogenoemde zijdewenden zijn overblijfselen uit de tijd dat de beheersing van de rivieren nog in de kinderschoenen stond. Was bovenstrooms een dijk eenmaal vernield, dan kwam het water automatisch buiten de rivierbedding naar beneden. Om deze overlast af te wenden legden onze voorouders sterke dwarsdijken aan tussen de rivieren om zo het stroomafwaarts gelegen land te vrijwaren en het water terug te dwingen in de bedding. De Diefdijk, tussen Everdingen en Leerdam, die overigens zelf ook enkele malen is doorgebroken en daarvan de sporen draagt in de vorm van een aantal wielen, werd met dit doel op den duur tot ongeveer zes meter boven het maaiveld opgehoogd! Dat we nog steeds niet geheel in staat zijn de rivieren te temmen is onlangs duidelijk geworden. Stol toont ons echter onder meer de belangrijkste stappen die werden gezet op weg naar de 'eens-in-de-1250-jaar-norm', die thans geldt.

Het zeer lezenswaardige en met aardige voorbeelden en figuren doorspekte werk verduidelijkt veel 'geheimen' van het door het water beïnvloede landschap in Nederland. Een uitgave zonder wetenschappelijke pretentie, maar ruim boven NAP.