Verknipte eruditie

J.P. Guépin: Het humanisme, 1350-1850 161 blz., Ambo, ƒ 34,90

Sommige boeken zitten ongelukkig in hun omslag. Bij lezing klinkt van tussen de regels zacht geweeklaag en het is alsof de bladzijden zuchtend tegenstribbelen als je ze omslaat. De zaak is duidelijk: ergens diep weggestopt in het werk snakt een aardig idee naar frisse lucht. Tevergeefs - met iedere pennestreek van de schrijver werd het vaster ingesnoerd, totdat een dwangbuis van onhandige zinnen en struikelende redeneringen het ademen bijna onmogelijk maakte. Dit is de tragiek van het boek dat zijn eigen mooie gedachte om zeep helpt.

Het humanisme, 1350-1850 van de classicus J.P. Guépin is zo'n boek. Het is 'in zekere zin'' bedoeld als een vervolg op zijn volumineuze De beschaving en als een voorloper van het nog dit jaar te verschijnen Verschil van mening, terwijl het bovendien een tegenhanger heet te zijn van het recente De kunst van Janus Secundus dat handelt over 'humanistische poëzie'. Niemand zal beweren dat J.P. Guépin zijn tijd in ledigheid doorbrengt. Toch is dit ook niet de eerste keer dat hij eigenhandig een prikkelend idee van hemzelf smoort in een rafelig betoog.

Dit werk wil een herwaardering zijn van de humanistische wijsbegeerte. Daarmee bedoelt Guépin niet alleen de dialektische logica die tijdens de renaissance opbloeide als reactie op de scholastiek der middeleeuwen. Het gaat hem om de gehele traditie die de klassieke teksten als bron van alle denken opvat, die de Latijnse grammatica ziet als de kunst van het correcte taalgebruik, en die wijsbegeerte beschouwt als meer dan formele logica en rigide rationalisme. Humanistische wijsbegeerte, zo betoogt Guépin, wil de taal begrijpen in samenhang met de context waaruit zij voortkomt, wil de mens begrijpen in zijn worsteling met de wereld, en wil de wereld begrijpen als een levende gemeenschap, niet als optelsom van eeuwige waarheden. Misschien wil zij in feite weinig meer dan alleen de verzuchting slaken dubito: 'ik weet het niet, want het is me allemaal veel te ingewikkeld geworden.''

Stoutmoedig

De traditie die in dit boek op de troon wordt gezet, is, kortom, de retorica. Die kiest immers voor de kunst van het overreden door middel van het klassieke betoog, en tegen de zucht naar onwankelbaar houvast die dogmatiek, metafysica en analytische filosofie gemeen zouden hebben. Deze visie is geen verrassing voor wie De beschaving heeft gelezen, maar ditmaal doet Guépin een stoutmoedige stap verder. Hij gaat op zoek naar het humanisme als fundament van zijn eigen beschaving, als het fundament namelijk van de vrijzinnig protestantse bovenlaag die zo lang het intellectuele en culturele leven in Nederland heeft bepaald. Deze elite koesterde, zo betoogt Guépin, vanaf de stichting van de universiteit van Leiden in 1575 tot 1850, toen de filologische en Neolatijnse tradities verwaterden, een vanzelfsprekende tolerantie en afwijzing van 'al het nieuwe, romantische, bizarre of pseudo-diepzinnige''. Die geesteshouding lag volgens hem verankerd in kennis van de klassieken en in de opvattingen van de Italiaanse humanisten van vijfhonderd jaar eerder. Sterker nog, zo suggereert hij, in feite werden de laatste resten van het Nederlands humanisme zelfs pas in 1969 'ruw van het kussen gestoten'', bijvoorbeeld dat van de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep.

Dit is een aardig idee: een rechte lijn die van Cicero via Petrarca en Lorenzo Valla (de 'aartshumanist' die leefde van circa 1406 tot 1457), de Nederlandse humanisten Rudolf Agricola (1444-1485), Erasmus en Philip Willem van Heusde (1778-1839), naar dominee Spelberg van de VPRO loopt - en ten slotte uitmondt bij Guépin zelf, want hij is het, zo verklapt hij, 'gewoon met de humanisten eens''.

Zo'n mooie invalshoek biedt een baaierd van mogelijkheden. Men zou wel het een en ander willen lezen over het Hollandse humanisme, de doorwerking van Cicero in het Nederlandse omroepbestel, de positie van onze universiteiten in humanistisch perspectief, de relatie tussen grammatica en vrijzinnigheid, het werk van Valla, Agricola en Van Heusde, de ondergang van de Neolatijnse traditie ten gunste van het geloof in individueel kunstenaarschap, de anti-humanistische tegenstroom die loopt van Plato via de Tachtigers tot Wittgenstein, om maar te zwijgen van het verraad aan de erasmiaanse tolerantie door de generatie van 1968.

Men kan dit alles inderdaad ook vinden in Het humanisme, maar dan wel hopeloos versnipperd, dooreengehusseld, in stukken geknipt, zonder samenhang, vol hink-stap-springende argumenten, slecht gedoseerde eruditie, en niet terzake doende terzijdes. Het meest teleurstellende is wel dat een betoog dat een lans wil breken voor de klassieke retorica, waarin de kunst van de emotionele overtuiging centraal staat, zo weinig overtuigend is geschreven. Door het knarsen der zinnen is zelfs het geweeklaag van het aardige idee dat ten grondslag ligt aan dit boek nauwelijks meer te horen.

    • Bastiaan Bommeljé