Twee methoden, één doel

ER ZIJN DE LAATSTE jaren twee methoden aangewend om de opmars van de rancune in de politiek het hoofd te bieden. Met een beetje overdrijving is het dilemma in de aanpak van twee personen te belichamen: burgemeester Peper van Rotterdam en ex-burgemeester Van Thijn van Amsterdam. Peper is het symbool van de rauwe benadering. Hij kijkt, als het gaat om het aantal bijstandtrekkende Turken op één adres, niet op een feitje meer of minder. Hij voelt dat hij tegen de andere bange burgers moet aanschurken om hen te verleiden tot zijn democratisch alternatief. Zijn doel is de 'opstand der stedelingen' te voorkomen. Van Thijn is de personificatie van de bezorgde benadering. Te pas en te onpas luidt hij, soms tot tranen geroerd, de noodklok. Hij hoopt dat een moreel appel de rancuneuze burger ervan zal weerhouden zichzelf aan politiek racisme uit te leveren. Zijn doel is de tolerantie te redden.

De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen lijkt de Amsterdamse houding gelijk te geven. De Centrumdemocraten en de andere anti-partijen zijn in de hoofdstad achtergebleven bij de trend, terwijl de bestuurspartijen PvdA en VVD er met hun lokale politici juist relatief goed uit de bus zijn gekomen. In Rotterdam daarentegen is de PvdA, ondanks de reddingspoging van twee landelijke ex-staatssecretarissen, naar verhouding gedecimeerd door de overwinning der xenofoben die er nu de tweede stroming zijn. Dat wil zeggen: in Rotterdam heeft het geëtaleerde begrip voor de electorale voedingsbodem van de xenofoben, een vorm van begrip dat in extremis door de van origine totalitaire Socialistische Partij in onder andere haar bolwerk Tilburg en de middelgrote gemeente Spijkenisse is uitgedragen, geen stemmen weggetrokken bij de extremistische partijen, maar juist aangezogen.

Maar zo'n conclusie is te banaal, te eng in partij-politieke zin en negeert ook de specifieke verschillen tussen beide steden. Rotterdam is immers een arbeidersstad met scherpere sociale tegenstellingen dan het pluriformere Amsterdam. Rotterdam worstelt bovendien meer met de erfenis van zijn economische monocultuur die de laatste jaren niet opgewassen bleek tegen de mondiale herstructurering van arbeid en kapitaal waarbij Amsterdam in de jaren tachtig wel enige aansluiting heeft gevonden.

HET PROBLEEM van de toenemende politisering der vreemdelingenangst schuilt dan ook in deze uiteenlopende ontwikkelingen. Nederland is zich aan het moderniseren. Maar niet alle sectoren van de economie en lagen van de bevolking kunnen daarbij hetzelfde tempo aan de dag leggen. Juist in de steden leven deze branches en groepen fysiek samen. Daar draait de maatschappelijke centrifuge dus een paar slagen harder dan elders. In dat opzicht staat de uitslag van de raadsverkiezingen in Rotterdam en Amsterdam voor meer dan de specifieke eigenaardigheden van beide steden alleen. Elders in het verstedelijkte Nederland beginnen de sociaal-economische verhoudingen zich eveneens electoraal te manifesteren. De groei van de Centrumdemocraten is namelijk allang geen kwestie meer van oude wijken waar je een bombardement stadsvernieuwing op los zou moeten laten. Het bovenmatige succes van de anti-partijen in de na-oorlogse en zelfs hypermoderne wijken, de buurten waar de blanke werknemers wonen die in dit of een volgend decennium sociaal het onderspit delven is daarom nog veelzeggender. Zoals ook de groei van de liberale partijen zonder levensbeschouwing in de suburbane groeikernen, waar het autochtone en werkende deel der natie woont, niet zonder betekenis is.

Het is, kortom, een tweezijdige tendens waarbij eerst de PvdA en nu ook het CDA gemangeld dreigen te worden tussen ondemocratisch radicalisme en liberaal-vrijzinnige tevredenheid. De klap die het CDA in het door burgemeester Brokx bestuurde Tilburg is toegediend, spreekt wat dit betreft boekdelen. Het concept van de 'zorgzame samenleving', zoals partijleider Brinkman het noemde, is in zijn uitwerking kennelijk nooit verder gekomen dan een nieuwe variant van het aloude, paternalistische, 'subsidiariteitsbeginsel'. Bij het eveneens klassieke idee van de 'soevereiniteit in eigen kring' is men nooit beland.

Vooral het feit dat de christen-democraten, na hun ongenaakbare herstel in de jaren tachtig, in die klem zitten mag niet onderschat worden. Betekent de nederlaag van het CDA dat het nu in dezelfde netelige situatie verzeild is geraakt als de PvdA een paar jaar geleden? De ontwijkende reactie van de partijleiding dat het vooral aan haar presentatie schort en niet aan haar geworteldheid in de samenleving doet denken aan dat vluchtgedrag waarmee de PvdA zich zo in de nesten heeft gewerkt.

Zou het CDA nu inderdaad wat na-ijlen, dan ligt het voor de hand te veronderstellen dat de klap van woensdag bij de komende Kamerverkiezingen niet zal zijn uitgewerkt. Blijven de verliezende politici zich komende maanden uitputten in verkooptactieken, dan moet gevreesd worden dat ze bij een procentje minder op 3 mei al zullen staan te juichen. En is Nederland van de regen in de drup. De gevolgen van de maatschappelijke veranderingen in West-Europa vereisen derhalve een minder oppervlakkige benadering. Dus niet een dag na de raadsverkiezingen met een half miljard over de brug komen voor werkgelegenheidsprojecten in de grote steden, zoals eergisteren is gebeurd, en daarmee basta.

WIE DE WAARHEID in de twee grote steden in pacht heeft gehad - Van Thijn of Peper - is moeilijk met zekerheid vast te stellen. Maar een paar conclusies mogen toch wel getrokken worden. De kiezers hebben zich laten leiden door emoties én ratio. Het gaat dus niet aan om de burgers, die met hun stem de consensus een slag hebben willen toebrengen, als verdwaalde schapen in een hok te zetten. De kiezers willen gehoord worden. Het is dan ook geboden om enige welgemeende empathie te laten blijken. De kiezers wensen dat hun klachten serieus genomen worden. De lokale politieke leiders, die de verantwoordelijkheid voor het herstel van het democratische vertrouwen op hun schouders weten, zullen daarom de middelen moeten hebben om iets te doen: materieel, organisatorisch en ideologisch (in de beschaafde zin des woords).

DE PLAATSELIJKE voorlieden moeten weer aanwezig durven zijn. Soms kan dat met geld, dan weer met een moreel oordeel en nog vaker simpelweg door initiatieven van burgers niet bureaucratisch te frustreren. Een vergunning voor burgerzin kost immers niets, hooguit wat leges. De politieke strijd tegen de politieke expressie van de hedendaagse maatschappelijke wrok is een kwestie van hart en verstand, van sentiment en realiteitszin. Kortom, van Van Thijn maar ook van Peper.