Turkije; De voetstappen van de sharia komen dichterbij

ANKARA, 5 MAART. Het is nog nooit zo druk geweest bij het mausoleum van de Turkse hervormer Atatürk als de laatste dagen. Zijn monumentale rustplaats, in het hart van Ankara, ademt de sfeer van een pelgrimsoord voor jong en oud, man en vrouw, links en rechts georiënteerde groeperingen. Turkije is massaal opgestaan om de aanhankelijkheid aan Ata, zoals de linkse krant Cumhuriyet (Republiek) hem liefkozend noemt, te betonen nu zijn nagedachtenis vorige week door de religieus-fundamentalistische parlementariër Hasan Mezarce werd bezoedeld en 'de voetstappen van de sharia' (het islamitische recht) dichterbij lijken te komen.

Zeventig jaar nadat Atatürk de scheiding van kerk en staat in Turkije doorvoerde, staat het secularisme onder druk meent een belangrijk deel van de bevolking. “Mijn aanwezigheid hier is een vorm van protest”, zegt Ismail Öcbe. Hij maakt deel uit van het meerstemmig-koor van het Turkse ministerie van cultuur en legt vandaag samen met zijn collega's een krans op het graf van de Turkse hervormer. “Wat we tot uitdrukking willen brengen”, verklaart hij, “is dat het moderne Turkije, de oriëntatie op het Westen, het levenswerk is van Atatürk. En dat levenswerk dreigt te worden verkwanseld door mensen met een fanatiek-religieuze inslag. Denk je dat we in staat waren om naar de opera of het ballet te gaan, als Atatürk ons niet vertrouwd had gemaakt met deze kunstuitingen?” Ali Erdem valt hem bij: “De verbranding vorig jaar van 37 mensen in een hotel in Sivas bij confrontaties tussen fanatieke moslims en Alevieten (de liberalen onder de moslims), staat nog steeds in mijn herinnering gegrifd. We moeten voorkomen dat dit soort zaken mogelijk zijn in Turkije. En dat kan alleen als we ons sterk maken voor het seculiere karakter van onze samenleving.”

Öcze en zijn collega's zijn aan de beurt om bij het graf van Atatürk hun opwachting te maken. De groep valt in het niet bij de duizenden en duizenden schoolkinderen, die deze week met bussen naar het mausoleum worden vervoerd. Het Turkse ministerie van onderwijs, dat de lesprogramma's bepaalt, heeft een buitengewone Atatürk-week afgekondigd. Sommige kinderen gaan schuil onder een immense Turkse vlag; anderen dragen een portret van Atatürk voor hun buik, terwijl een enkeling bloemen heeft meegebracht. Het bezoek aan het mausoleum is een onverwacht en aangenaam uitje. De kinderen hebben lachende gezichten en tonen zich onbewust een beetje trots dat ze zijn uitverkoren om het erfgoed van Atatürk te helpen verdedigen. De juf of de meester heeft hen immers vertelt dat mensen als Mezarce - die voor de invoering van de sheriat is - vijanden zijn van het Turkse volk.

Mezarce, wiens parlementaire onschendbaarheid deze week werd opgeheven zodat hij door het staatsveiligheidshof kan worden berecht voor zijn antiseculiere uitspraken, gruwt van “deze hersenspoeling”. Volgens hem is het meerpartijensysteem in Turkije een farce. “De leer van Atatürk, het kemalisme, is na 70 jaar nog steeds de staatsideologie, die via het onderwijs in de hoofden van de Turkse kinderen wordt gestampt. Hierdoor is er geen ruimte voor andere meningen.”

Vooral Mezarces opmerking dat Atatürk een onwettig kind was omdat zijn moeder in een bordeel werkte, heeft grote woede veroorzaakt. Een krenkender uitdrukking is niet denkbaar in de moslimwereld, waar de eerbaarheid van de vrouw het hoogste goed is. Maar wat Mezarce feitelijk zegt, verschilt nauwelijks van wat de 'Nieuwe Ottomanen' al een tijdje beweren. Volgens deze groepering van intellectuelen met verschillende ideologische achtergronden, is Turkije toe aan een tweede republikeinse periode. Gezien de veranderingen in de wereld en Turkijes nieuwe, meer toonaangevende rol in de regio, wordt het tijd om de knellende banden van de door Atatürk ingevoerde staatsideologie af te leggen.

Geliefde uitspraken als 'vrede thuis, vrede in de wereld' zijn volgens de Nieuwe Ottomanen niet meer van toepassing op de situatie van vandaag de dag, die om bredere visies, gedurfder optreden en een grotere oriëntatie op het buitenland vraagt. Was dat niet precies wat de vorig jaar overleden president Turgut Özal deed toen hij de Iraaks-Koerdische leiders na de mislukte volksopstand in 1991 in Noord-Irak naar Ankara haalde en een opening creeërde om ook de Koerdenkwestie in Turkije zelf bespreekbaar te maken.

Beide beslissingen zijn in het Turkije van vandaag nog steeds omstreden, terwijl de economische malaise, de groeiende aanhang van religieus-fundamentalistische groeperingen en de uitbreiding van het strijd van de separatistische Koerdische Arbeiders Partij (PKK) naar de steden de tegenstellingen in de samenleving juist verder aanwakkeren. Om de onzekerheid te bezweren wordt Atatürk naar voren geschoven als het vertrouwde symbool dat Turkije ruim 70 jaar bijeen heeft gehouden.

    • Froukje Santing