Sneeuw

Wat ik had gehoopt was gebeurd: de hele nacht had het gesneeuwd, binnen acht uur een pak dat we in Nederland nog niet eens de afgelopen drie jaar bijelkaar hebben verzameld. Meer dan acht inches, zei het weerbericht; dus meer dan twintig centimeter. Sneeuw geeft een zachtaardige ontwrichting, dempt het lawaai, verfrist de lucht, maakt de kinderen baldadig en de mensen een beetje mopperig op een vrolijke toon, en de weg wordt glad zodat er meer auto's tegen elkaar rijden, maar langzamer en dat is beter dan dat er weinig met hoge snelheid botsen. Sneeuw is het vreedzaamste natuurverschijnsel.

Later op de dag zou het gaan stormen, aan de kust werden zelfs lichte overstromingen verwacht en zo kwam ik op het idee dat het misschien de moeite waard zou zijn, weer eens op Coney Island te gaan kijken. Een hoge zee is iets anders dan veel sneeuw maar niet minder interessant, en twee van zulke natuurverschijnselen op één dag: het zou niet op kunnen. De B, de D en de F trein hebben daar alle drie hun eindpunt, je bent er in minder dan een uur, het is even ver als van Amsterdam naar Zandvoort, maar welke Amsterdammer gaat op een weekdag als het stormt naar Zandvoort? Hij denkt: ik wacht wel tot vanavond, als het op de televisie komt. Dan worden er drie seconden hoge golven getoond en daarna een deskundige in zijn kantoortje die vertelt dat er gifzakjes zijn aangespoeld. Van de laatste Nederlandse storm herinner ik me alleen een dozijn deskundigen, telkens van een andere kustsector, die een gifzakje voor de camera hielden.

Ik nam de B trein omdat die niet onder de East River door gaat maar er overheen, op een plaats waar je een prachtig uitzicht hebt op de Brooklyn Bridge en Lower Manhattan. Eigenlijk zou je niet moeten proberen zulke uitzichten te beschrijven maar het overlaten aan een groot schildertalent. Op het gebied van stadsgezichten weet ik niet zo vlug iets anders dat ik mooier vind: die muur van wolkenkrabbers tegen de grauwe winterlucht. Het is niet 'pittoresk'; het heeft iets triomfantelijks: dat is ons mensen toch maar gelukt.

Aan de andere oever gaat de trein onder de grond, komt halverwege Brooklyn weer boven en dan is er niets triomfantelijks meer te zien. Niets anders dan een eindeloze chaos van modderige straten met lage huizen, oude auto's en telegraafpalen, pakhuizen, woontorens, opslagplaatsen, een kanaaltje, reclameborden, autokerkhoven en één uitgestrekt mensenkerkhof. In scherpe bochten rijdt de trein stapvoets, lange hoge kreten komen uit de draaistellen, het viaduct kreunt, en dan rammelen we nog over een roestig rangeerterrein voor we weten dat we de tocht hebben doorstaan.

Coney Island. We waren met ons tweeën in het station, de man achter het loket en ik. Aan de uitgang, nog onder het viaduct, is een soort schuur gebouwd waar hotdogs, frankfurters, bagels, bier en koffie worden verkocht. Daar aan de toonbank stonden een stuk of twintig vormeloze mannen naar de televisie te kijken, het programma Banana Split. Iedere nationaliteit deelt aan haar mannelijke bevolking een eigen vormeloosheid mee. De Fransen bijvoorbeeld hebben een vormeloosheid die wordt bepaald door een blauwe kiel, zo afgedragen dat je niet begrijpt hoe zo'n kledingstuk nieuw heeft kunnen zijn; de Nederlanders werken met warme dassen die ze onder hun jas proppen; de Amerikanen dragen dikke, kleurig geblokte jekken en zetten een pet op. Het is onnavolgbaar. Ik heb weleens een Nederlander gezien die had geprobeerd, vormeloos als een Amerikaan te zijn maar hij bleef een verklede Nederlander. Onder het station van Coney Island stonden dus twintig kleurig aangeklede mollen met een pet op zwijgend televisie te kijken.

Op Coney Island was alles dichtgetimmerd. Des te beter. Geen mensen in de weg. Er zijn twee attracties die dan pas goed te zien zijn als er niemand door het beeld loopt: de achtbaan of roller coaster en de boardwalk, het plankier op palen dat daar tot boulevard dient. Er was, op een paar meeuwen na, werkelijk geen levende ziel. De paar honderd meter naar de boardwalk waren bedekt met maagdelijke, half gesmolten sneeuw zodat de ontdekkingsreiziger natte voeten kreeg maar de beloning was des te groter: aan de ene kant de door een lichte storm beroerde oceaan en aan de andere kant het zwarte amusementsverzinsel van de achtbaan. Anderhalf jaar geleden was ik er voor het laatst geweest en toen had het me getroffen als het geraamte van een nog niet beschreven voorwereldlijk dier. Intussen was Jurassic Park in de maak, wat ik niet wist. Nu liep ik als de laatste mens ter wereld over de godverlaten boardwalk en ik keek naar het staketsel van de vermakelijkheid, een geweldig gebeente uit de ijstijd. Dezelfde meeuwen van toen hielden me gezelschap. De tijd had stil gestaan.

Er is een stroming in de Franse film geweest, de 'zwarte film' als ik het me goed herinner, waarin het noodlot kracht werd bijgezet door het winters decor van een badplaats: Deauville of Trestel. Het principe van die produkties was dat een man en een vrouw, verwikkeld in een hopeloze liefde, hun uitzichtloosheid beklemtoonden door het einde ervan aan het winterse strand te beleven. Eén ongelukkig paar, niet in een film, heeft het voorschrift zo ernstig genomen dat het in een verlaten villa zelfmoord heeft gepleegd. Bij de vrouw slaagde het; de man werd blind en heeft nog dagen lang in dat huis rondgestrompeld voor de politie hem ontdekte. Het staat beschreven in een krant die al jaren geleden ter ziele is gegaan: Le Matin.

Deauville in de winter was kinderspel vergeleken bij de boardwalk op drie maart 1994. Zo zien we dat zelfs het decor der tijden harder wordt.

Op de terugweg zat ik in de trein met een dakloze die niet zat maar lag, uitgestrekt op de bank. Hij wilde een sigaret roken, wat daar verboden is, en hij vroeg een vuurtje. Wie was ik dat ik in die overigens lege wagon de handhaver van een voorschrift zou zijn. Ik stak een lucifer voor hem af en hij rookte. Na drie trekken begon hij over te geven, zo ernstig dat ik de conducteur heb gewaarschuwd. Op het volgende station werd hij eruit gedragen. Het was nog boven de grond. Twee employés van het openbaar vervoer namen hem tussen hen in en terwijl de trein vertrok zag ik hoe zijn schoenen een dubbelspoor door de smeltende sneeuw trokken.

    • S. Montag