Schiettuig

Jan Piet Puype en Marco van der Hoeven, redactie: Het arsenaal van de wereld. Nederlandse wapenhandel in de Gouden Eeuw

143 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1993, ƒ 32,50

Het arsenaal van de wereld is het boek dat de gelijknamige tentoonstelling in het Legermuseum te Delft begeleidt. Het geeft een overzicht van de produktie van en handel in wapens in de Republiek tijdens de periode 1600-1650. Daaruit rijst het beeld op van een groot militair-industrieel complex. De omvang bedroeg naar schatting vijf procent van het bruto nationaal produkt van de Republiek. Dat is ruwweg evenveel als de Verenigde Oostindische Compagie (VOC) bijdroeg aan 's lands economie.

Bijna alle soorten wapens werden in de zeventiende eeuw in Nederland vervaardigd, van eenvoudige pistolen tot zwaar scheepsgeschut. In vrijwel alle steden van enige betekenis werden militaire produkten vervaardigd, maar het zwaartepunt lag in Holland en Zeeland. Honderden ambachtslieden verdeeld over tientallen gilden hielden zich met de wapenproduktie bezig. Lang niet alle grondstoffen en onderdelen konden in eigen land gemaakt worden. Salpeter werd ingevoerd uit het Oostzeegebied en later ook uit India, terwijl Sicilië en Elba zwavel leverden. Metalen onderdelen voor musketten en harnassen werden in Luik aangeschaft.

Kopers waren er meer dan genoeg. In de Republiek behoorden het Staatse Leger, de admiraliteiten en de Oost- en de Westindische Compagnie tot de vaste afnemers. Hun behoefte aan wapens was zo groot dat de binnenlandse produktie niet volledig aan hun vraag kon voldoen. Daarom werden er ook wapens ingevoerd, zoals Engelse ijzeren kanonnen. Die waren niet zo goed als de bronzen kanonnen uit de Republiek, maar veel goedkoper.

De export stond onder streng toezicht van de Staten-Generaal. Het was immers niet de bedoeling dat iedereen wapens kon krijgen en bovendien vormde de belasting op uitgevoerde wapens een interessante bron van inkomsten. De richtlijn voor wapenexport was simpel. Wie betaalde kreeg wapens, tenzij de kans bestond, dat ze tegen de Republiek werden gebruikt. Dit betekende niet automatisch dat een vijand geen beroep kon doen op de Republiek. Zo gaven de Staten-Generaal in 1604 toestemming 3000 geweren te verkopen aan de Duitse keizer, een bondgenoot van Spanje. De keizer had de geweren echter nodig voor de strijd tegen de Turken. Dat was in het belang van de Republiek en dus kreeg de keizer zijn wapens.

Bijna alle naties waren klant van de Republiek. Van Venetië en Malta tot Frankrijk en Rusland. Ook in Azië speelden Nederlandse wapens een belangrijke rol. Hier betrof het niet zozeer de handel, als wel het gebruik ervan door de VOC. Het was onmogelijk handel te drijven zonder van tijd tot tijd geweld te gebruiken. De VOC was zeer kritisch: alleen de beste wapens waren goed genoeg. De VOC vertrouwde niet alleen op wapens uit de Republiek. Reeds kort na de vestiging van een hoofdkwartier in Batavia in 1619 werd de produktie van handvuurwapens en licht geschut ter hand genomen. Ook werd er buskruit gemaakt. Zo was de VOC minder kwetsbaar voor het in het ongerede geraken van de lange aanvoerlijnen uit het moederland.

De term wapenhandel geeft geen volledig juist beeld van het militaire aanbod van de Republiek. Wie manschappen nodig had, kon er ook heel goed terecht. Vandaar dat diverse malen complete militaire eenheden aan buitenlandse mogendheden zijn geleverd: officieren, soldaten, wapens en munitie.

Het eerste deel van Het arsenaal van de wereld omvat een artikel over de wapenhandel en -produktie als geheel en zes artikelen over deelonderwerpen, zoals de salpeterhandel. De tweede helft van het boek is een catalogus van de geweren, helmen, kurassen en ander wapentuig dat daar te zien is. Ook voor wie de tentoonstelling niet bezoekt, is de catalogus interessant, omdat hij voorbeelden bevat van de wapens, die tijdens de Gouden Eeuw door de Republiek zijn gemaakt en verhandeld. Een uitgebreide woordenlijst en nauwkeurige schetsen van Nederlandse vuurwapens completeren het boek. Dit is overigens zeker niet het definitieve boek over de militaire sector van de zeventiende-eeuwse economie. Het is te beschouwen als een overzicht van de huidige stand van zaken van het onderzoek hiernaar.

    • J. van den Berg