SABAKOE

De Hollandse motregen is hier niet zozeer koud en vochtig, alswel misplaatst. De koopman aan de overkant heeft fel gekleurde stoffen met tropische motieven aan wasknijpers gehangen; in de kraam naast hem verpakt een oude vrouw teentjes knoflook in kleine plastic zakjes, terwijl een jongen van een jaar of acht gehurkt op de wankele toonbank een toren bouwt van knalrode blikjes sardien van het merk Morjon. Rechts van ons worden plakjes bloedworst en in peper gekookte varkensingewanden verkocht door twee sprekend op elkaar lijkende mannetjes van onbestemde afkomst: ze hebben een javaans-bruine huid, negroïde neus en lippen en een lichaamsbouw als van Indianen. Telkens als ze de grote pot openen waait een sterk gekruide damp in de richting van de junks die zich achter de bloemist hebben verschanst en even wakker schrikken van de geur die doet denken aan de geneugten van een normaal bestaan. Maar dan zakken ze weer weg in hun eindeloze, tragische roes.

De blanke bloemist brengt de ene hand naar zijn buik en draait met de heupen, terwijl hij een gebaar maakt naar Roy om het geluid wat harder te zetten. Met een glimlach voldoet Roy aan de wens en het kaseko-ritme dreunt dwars door de kleurrijke warboel. Sommigen genieten, de meesten trekken zich er niets van aan. Amsterdam op z'n best.

Roy Graves verkoopt zwarte muziek op de markt, of beter: internationale muziek waar zwarte mensen per ongeluk van zijn gaan houden. Dat kan de rauwe soul van Otis Redding zijn, maar ook de mierzoete love ballad van Vanessa Williams; kawina uit het Surinaamse binnenland, kaseko uit Paramaribo, of soca en merengue uit Venezuela en Guadeloupe. In de twaalf jaar dat hij dit vak uitoefent heeft hij niet alleen een oor ontwikkeld voor het hele spectrum van zwarte stijlen, maar vooral een oog voor het soort mensen dat erom geeft. Hij wijst op een keurig uitziende creoolse meneer van middelbare leeftijd. 'Zijn voorkeur gaat uit naar calypso'', voorspelt Roy en terwijl hij dit zegt neemt hij bliksemsnel de nieuwste cd van Mighty Sparrow uit een metalen koffer en zet hem op. Inderdaad, even later neemt Roy de vijfendertig gulden voor de cd in ontvangst die hij achteloos in de rode krat onder de toonbank gooit. Een paar minuten later komt nog een creoolse heer bij de cd-rekken in zijn tent staan. Hij is minstens zo onberispelijk gekleed als de eerste, maar Roy fluistert met een knipoog: 'Max Nijman.'' Weer die snelle beweging van het openen van het doosje en het bedienen van de knoppen. En ja, de meneer koopt de cd van Max Nijman.

Ik sta paf. Tussen de ondeugende calypso van Mighty Sparrow en de treurige smartlap van Max Nijman is er een hemelsbreed verschil, dat hoor ik ook wel, maar hoe wist Roy wie waarvan zou houden? Eerst wil hij me doen geloven dat het pure intuïtie is, maar als ik doorzeur onthult hij de truc: de eerste man had nogal wat gouden sieraden aan, een zware ketting, ringen en een opvallende gouden armband. Dat suggereert frivoliteit. De tweede daarentegen droeg lange mouwen met manchetknopen, wat wijst op een totaal ander milieu: de overbeschaafde protestantse middenklasse. Daar hoort de Surinaamse schlager van Max Nijman bij.

Met een beginkapitaal van vierhonderd gulden kocht Roy Graves in 1982 twintig langspeelplaten waarmee hij op de Albert Cuypmarkt begon te venten. De politie nam zijn voorraad in beslag, maar Roy had het gat in de markt ontdekt. Hij vroeg de juiste vergunningen aan en begon opnieuw, met een platenspelertje op batterijen. Nu behoort hij tot de belangrijkste verkopers van Surinaamse cd's in Amsterdam. 'Surinamers gaan nooit uit huis met de bedoeling een plaat te kopen. Ze stappen ook niet zomaar een platenzaak binnen, de drempel is te hoog. Maar hier kuieren ze rond, ze kopen groenten, een stukje bloedworst, en als ze bij mij in de buurt zijn horen ze plotseling de muziek uit hun jeugd. Het kan ze niet schelen dat zo'n cd vijfendertig piek kost, je moet alleen de juiste snaar weten te raken.''

Daar zijn een paar harde regels voor: 's morgens vroeg draait hij geen 'wilde' nummers, dat wil zeggen, geen al te heftige dansmuziek, maar meer de heimwee-soul, waar de huismoeders op afkomen die zich plotseling de tijd herinneren toen ze jong en vrij waren en het leven nog zo veelbelovend leek. Tijdens de lunch-uren, als veel werkende mannen een wandeling maken over de markt, is het tijd voor de meer dansbare muziek. Het zijn vooral oude Surinaamse nummers die opnieuw zijn uitgevoerd door muzikanten die gebruik maken van digitale technieken van Nederlandse opnamestudio's. Namen als Sabakoe en Tumak Humak staan daarom in electronische letters tussen de tropische palmbomen op de cd-dozen.

Na de lunch is alles mogelijk en moet Roy goed opletten, want dan heeft hij het zelf in de hand of zijn tent vol loopt of leeg blijft. Hij demonstreert het: hij draait een nummer, waar niemand op af komt. Hij draait een volgende en hij verkoopt drie exemplaren van de betreffende cd. Tussen de twee nummers lijkt nauwelijks verschil te bestaan, maar Roy legt het uit: 'Het eerste nummer was een topper van vorig jaar, waar iedereen al genoeg van heeft. Het tweede nummer was van dezelfde band, maar nieuw. Ze herkennen iets van de vorige zomer, en het is toch anders. Dat kopen ze.''

Roy is een slanke, achtendertigjarige creoolse man. Een 'volksjongen', zoals hij zegt, wat betekent dat zijn vader in Paramaribo geen onderwijzer was en geen ambtenaar. Vroeger wilde hij dj worden, en nu gebruikt hij hetzelfde talent, maar dan niet om de mensen aan het dansen te krijgen, maar om hen de cd's te laten kopen. Ze moeten wel afgaan op wat ze toevallig bij hem horen, omdat deze muziek niet gewoon op de radio te beluisteren is. Mensenkennis, daar komt het op aan. West-Afrikanen bijvoorbeeld hebben een onverklaarbare voorkeur voor Amerikaanse country-muziek en Surinaamse jongeren van in de vijftien, met omgekeerde baseballpetjes en Amerikaanse jacks, vragen om de meest duistere winti-liederen, omdat ze denken dat die tot hun roots behoren. Ze kopen de laatste cd van Ai Sa Si, wat letterlijk 'het oog dat iets gezien heeft' betekent. Het zijn gevaarlijk klinkende drums, die het beeld oproepen van rollende zwarte ogen in een duivelse wildernis. De meeste Surinaamse ouderen willen intussen gewoon de vrolijke Surinaamse dansnummers van Sukrusanie, met lollige titels als Het gaat je niets aan.

Tegen het eind van de middag komt er een mevrouw met fiets en al de kraam binnen. Ze heeft een grote rieten mand aan het stuur, met daarin etenswaren en een pak toiletpapier van twaalf rollen, en op de bagagedrager een kinderstoel waarin een peuter van drie half slaapt, met een fopspeen in de mond. Afgelopen zaterdag hoorde ze op een feestje een nummer van Sabakoe, zegt ze. Neen, de titel kent ze niet, maar ze zou het voor kunnen zingen. Roy draait zijn geluidsapparatuur uit. De mevrouw zingt, hevig blozend, omdat de tekst over vrouwelijke intimiteiten gaat. Maar Roy vertrekt geen spier: 'Mevrouw vergist zich misschien, dat nummer is niet van Sabakoe.'' Ze laat Roy alle nummers draaien, vindt het door haar gezochte lied niet, maar koopt toch de cd. Ze loopt weer de Hollandse motregen in, met haar dommelende kindje, en de belofte van tropisch genot in haar rieten mand.

SABAKOE

    • Anil Ramdas