Rudi Bierman bleef altijd trouw aan de figuratie

Tentoonstelling: Rudi Bierman (1921-1972). T/m 10/4 in Museum Bommel-van Dam, Deken van Oppensingel 6, Venlo. Di-vr 10-16.30u, za en zo 14-17u. Catalogus ƒ 34,50.

Rudy Bierman (1921-1972) was in zijn tijd een gevierd schilder. In de jaren vijftig werd hij door bestrijders van de 'moderne' schilderkunst naar voren geschoven als een bewijs dat figuratieve schilderkunst superieur was aan de zogenaamde getrukeerde experimentele kunst.

In een bespreking in Het Vrije Volk in 1960 vroeg Gerrit Kouwenaar zich af “of men de talentvolle Bierman een dienst heeft bewezen door hem zo nadrukkelijk in de frontlinie te plaatsen van een in wezen kunstmatig conflict”. Het zou, zo stelde Kouwenaar, zijn ontwikkeling eerder hebben geremd dan voortgeholpen. Hij concludeerde dat de afstand tussen Bierman en niet-figuratieven bijzonder klein is, ook al liggen de vertrekpunten ver uiteen.

Ruim twintig jaar na zijn dood, en precies twintig jaar na zijn laatste tentoonstelling in Museum Fodor en het Stedelijk Museum in Amsterdam, is van Bierman een overzichtstentoonstelling in het Museum Van Bommel-Van Dam in Venlo ingericht met zo'n vijftig schilderijen en dertig werken op papier. Hieruit blijkt dat hij tot aan zijn dood de figuratie trouw is gebleven. Maar de kracht van enkele van zijn vroege werken, zoals Portret van mijn moeder uit 1955, dat ongemanierd en liefdevol is vervaardigd, heeft hij niet weten vast te houden. Wanneer je dit doek vergelijkt met een zelfportret uit 1969, dan valt op hoezeer dit latere werk wordt overheerst door ongeïnspireerd effectbejag. Als clichématige verbeelding van verbittering zien we de kunstenaar, gestoken in een lange jas die driekwart van het schilderij beslaat. Vanonder zijn wenkbrauwen kijkt een verbeten kop grimmig de toeschouwers aan. De kleuren van zijn jas laten alle hoeken van Biermans palet zien, maar ze demonstreren eerder gemak en virtuositeit dan dat ze iets toevoegen aan de uitdrukking van de kop.

Bierman zocht zijn onderwerpen dicht bij huis. Hij schilderde een kind op een potje, een orkest van het Leger des Heils tussen de rommeltjes op het Waterlooplein, zijn ouders, zichzelf en een enkele beroemdheid zoals de toen invloedrijke schrijver en vijand van 'de Vijftigers' Ab Visser. Uit deze werken spreekt een weinig stijlvaste figuratief-expressionist die constant in dubio verkeerde over de te volgen strategie en in zijn streven te voldoen aan verwachtingen, achter de ontwikkelingen aanhobbelde.

De stijl waarin Bierman de literator Visser heeft weergegeven doet sterk denken aan de schildershand van Kokoschka; Biermans biografie vermeldt een studie in 1956 en '57 aan de Sommerakademie van Oskar Kokoschka in Salzburg. Behalve Kokoschka brengt Bierman ook schilders als Van Dongen en Sluyters in herinnering en ook is de invloed van Cobra sterk geweest. Aan het eind van zijn leven neigt hij heel voorzichtig naar de Pop Art; er ontstaan doeken die het midden houden tussen Hockney en Pat Andrea.

De tentoonstelling in Venlo is aangevuld met werk van andere schilders met een expressief-figuratieve signatuur: Biermans tijdgenoten Jaap Wagenaar en Jan Sierhuis, voorlopers als Fiedler, Kruyder en Breitner en de hedendaagse schilders Peter Klashorst, Jurriaan van Hall, Roland Berning, Pieter Kusters en Peter Otto.

    • Mark Peeters