Roeping

De eerste politieke leider van de KVP in de nieuwe naoorlogse Tweede Kamer, mr. C.P.M. Romme, was volgens de pers zo verknocht aan het fractievoorzitterschap van zijn club dat hij bij elke kabinetsformatie het Kamerlidmaatschap verkoos boven het ministerschap.

Hij werd beschouwd als het prototype van de geboren parlementariër die het fractievoorzitterschap minder opvatte als een ambt dan als een roeping. In de laatste jaren voor de oorlog had Romme weliswaar de portefeuille van Sociale Zaken in het vierde kabinet-Colijn aanvaard, maar bij een eerdere gelegenheid had hij voor de eer bedankt, zoals hij dat ook zou doen in alle naoorlogse kabinetsformaties waarbij hij betrokken was. Als jong jurist, die naam had gemaakt in de gemeenteraad van Amsterdam, werd hem in 1933 al een portefeuille aangeboden, maar hij bedankte en verschool zich achter de brede rug van een zittende geestverwant, die bereid was bij te tekenen. Hij had een doorzichtig smoesje maar hij had het geluk dat Colijn er genoegen mee nam.

Romme was een machtig man die in de periode 1946-1963 kabinetten kon maken en breken. Zodra het echter op de verdeling van de portefeuilles aankwam, sloot hij zichzelf uit en gunde hij de eer aan anderen. In de pers is die voorkeur voor de Kamer boven het kabinet zowel gehouden voor een mooie karaktertrek als voor een dienst aan zijn partij. Uit de Kamerbanken kon Romme zijn katholieke discipelen beter tot eenheid brengen dan uit de dubbele verantwoordelijkheid van het partijleiderschap gecombineerd met het ministerschap. Zo is mede een legende ontstaan over de roeping van de parlementariër Romme die de dienst aan het volk hoger stelde dan de dienst aan de Majesteit.

Bijna een halve eeuw heeft die legende stand gehouden - tot de historicus J. Bosmans de andere Romme ontdekte. Dank zij het bronnenonderzoek van de Nijmeegse hoogleraar in de Nieuwste Geschiedenis, die in 1991 het eerste deel van een omvangrijke biografie van Romme publiceerde, is achter de altruïstische legende een aardser mens te voorschijn gekomen - met zijn gebreken en vooral zijn angsten. In zijn eerste deel had Bosmans al erop gewezen dat Romme 'in paniek raakte' toen Colijn hem in 1937 de portefeuille van Sociale Zaken aanbood, in zijn tweede deel belooft hij de psychische verrassingen van wat hij noemt het raadsel-Romme nog verder uit te werken.

In het jongste Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum - dat al enige tijd geleden verschenen moet zijn, maar dat ik pas onlangs in mijn brievenbus vond - heeft hij daarvan een belangwekkend voorproefje gegeven. Volgens Bosmans ambieerde Romme het doorlopend binnen zijn bereik gelegen ministersambt niet, laat staan het premierschap en 'eigenlijk evenmin de positie die hij dan wel innam'', dat wil zeggen het fractievoorzitterschap in de Kamer. Bosmans vond dat op het eerste gehoor zelf niet erg aannemelijk, maar de particuliere correspondentie waarvan hij inzage heeft gekregen (brieven die geen onderdeel vormen van de papieren-Romme in het Algemeen Rijksarchief), hebben hem het ondubbelzinnige bewijs geleverd van een in zijn publieke bestaan goed verborgen gehouden minderwaardigheidscomplex, dat werd veroorzaakt door een gebrek aan talenkennis. De angst daarover in het openbaar te struikelen beheerste Romme in 1937 (aanbod ministerschap), maar ook toen hij in 1946 fractievoorzitter in de Tweede Kamer moest worden. Romme probeerde in Engeland Engels te leren en in Frankrijk Frans, maar blijkens de brieven die Bosmans daarover heeft ingezien had hij daar geen talent voor. Het was 'een hopeloos gevecht'', aldus Bosmans (Jaarboek 1992, Katholiek Documentatie Centrum, Erasmuslaan 36, Nijmegen). Bosmans geeft daar aandoenlijke illustraties van: de ene keer 'brak het klamme zweet hem uit'', de andere keer 'wist hij zich geen raad'' als hij bij een officieel diner naast een Engelse was gezeten. Zijn worstelingen met het Frans waren 'een aanslag op zijn zelfvertrouwen''.

Dat is een andere professor Romme dan de oppermachtige leider van de staatkundig-katholieken die uit de persgeschiedenis en uit de oudere wetenschappelijke literatuur oprijst. Heer en meester in de KVP-fractie, zwaargewicht in het parlementaire debat, allesbestierder achter de schermen van de rooms-rode coalities onder leiding van Drees (die het hoog-Duits beheerste, grammaticaal foutloos Engels schreef en ook het Frans meester was). Die dominante Romme was 'een onzeker persoon'', die het psychische gat in zijn wapenrusting verborg achter de pose van een sfinx. Het is tekenend voor Rommes geslotenheid dat zelfs zijn politieke vrienden niet doorhadden welk steekje aan hem los was en nooit hebben geweten door welke angsten hun machtige leider werd beheerst.

Terwijl de linkse oppositie, in het bijzonder de socialist Van der Goes van Naters, Romme langdurig besmet verklaarde omdat hij in de oorlog zaken had gedaan met de Duitsers en de Anti-Revolutionairen hem wantrouwden om zijn corporatistisch constitutionele denkbeelden (minder volksinvloed ten gunste van de 'maatschappelijke standen'), deed de KVP-leider het in stilte in zijn professorale broek voor de toenemende internationalisering van de politiek. In het begin van de jaren zestig verliet hij de politiek omdat hij zichzelf in die context niet meer geschikt vond voor een hoge post, 'maar daarmee verhulde hij de angst dat hij vanwege zijn gebrekkige beheersing van de vreemde talen maar een raar figuur zou slaan''.

    • Harry van Wijnen