Peek en de anderen

Roger Miellet: Honderd jaar grootwinkelbedrijf in Nederland 320 blz., geïll., Catena 1993, ƒ 59,75

Wie halverwege de negentiende eeuw in Nederland in de detailhandel werkte, was in negen van de tien gevallen protestants. Dat kan verklaren waarom het grootwinkelbedrijf in diverse landen - niet alleen in Amerika en Frankrijk, maar ook in België - veel eerder op gang kwam dan hier. Het protestantisme koesterde een afkeer van handel in door derden gemaakte produkten. Handel waar geen 'eerlijk' ambacht aan te pas was gekomen, maar slechts 'sluw' loven en bieden, heette minderwaardig. Ja, zelfs goddeloos. Liever ambtenaar, dacht menigeen toen de opkomst van de burgerij de detailhandel deed expanderen, dan winkelier.

Zo kwam het, verklaart Roger Miellet in zijn lijvige studie Honderd jaar grootwinkelbedrijf in Nederland, dat het initiatief werd overgelaten aan joden en katholieken. De joden kwamen overal vandaan, de katholieken voornamelijk uit Westfalen. Daar, in de onvruchtbare Westfaalse contreien, liepen al honderd jaar lang de marskramers met hun textielwaren rond. 'Vlotte kerels,' noteerde Justus van Maurik over hen, 'met een platte muts op het hoofd, een zak van geruite stof op de rug, een ellestok in de hand, en een schaar aan een kettinkje om de hals.' Steeds vaker kwamen ze naar Nederland en gaandeweg vestigden ze zich ook hier, al was het maar om te ontkomen aan de dienstplicht in de Wehrmacht of de onderdrukking van het katholieke volksdeel in het nieuwe Duitse keizerrijk.

Het is opvallend hoeveel bekende winkelpui-namen hun oorsprong in Westfalen hebben: Michael Anton Sinkel, grondlegger van de legendarische Winkel van Sinkel, Hermann Lampe, Johann Peek, Heinrich Cloppenburg, Anton Kreymborg, Hermann en Bernhard Voss, Anton Dreesmann, Clemens en August Brenninkmeyer en zelfs ook de niet-katholiek Josef Cohen, oprichter van Maison de Bonneterie. En geen mens die zich dat nog realiseert, tijdens het zaterdagmiddagse winkelen.

Roger Miellet, zelf een telg uit het Galeries Modernes-geslacht uit Frankrijk, beschrijft van elk van hen de opkomst - en ook, van anderen, de neergang. Van enig parti-pris is daarbij geen sprake: de opheffing van Galeries Modernes, die er immers niet in slaagde te ontkomen aan een schadelijk imago van goedkoopte en rommeligheid, wordt even onpartijdig behandeld als die van Simon de Wit, De Gruyter of Witteveen. In alle openheid voegt hij er zelfs aan toe dat de nakomelingen van de oprichters niet hebben geleden onder de miljoenenverliezen van de laatste jaren. Integendeel: 'De verkoop van de buiten de exploitaties gehouden onroerende goederen bracht een aanzienlijk vermogen op.'

Nadat de resten van het bedrijf waren opgeslokt door de Bijenkorf, zette Miellet een opmerkelijke stap: hij verliet, op 55-jarige leeftijd, het bedrijfsleven en ging studeren. Dit boek is het resultaat van die studie, een feitelijk en ongekend veelomvattend relaas over de honderdjarige historie van de Nederlandse grootwinkelbedrijven. Nauwgezet beschrijft hij, stuk voor stuk, de noviteiten die het warenhuis steeds meer wegtrokken uit de sfeer van de kleine winkelier - de opkomst van het vaste assortiment in plaats van de toevallig voor een zacht prijsje op de kop getikte goederen, de nadruk op de vrije entree voor elke passant in plaats van de vroegere koopdwang, de afschaffing van het gebruikelijke afdingen en de introductie van vaste prijzen, de liften en roltrappen als extra attractie en de lunchrooms met hun betaalbare spijzen die de gewone man voor het eerst de kans gaven buiten de deur te eten.

Achter de schermen heerste gedurende het interbellum een streng regime voor het personeel, schrijft Miellet ook. Hij vertelt van de internaten bij diverse winkelbedrijven, want een groot deel van het personeel was in die dagen ondergebracht op slaapzalen boven de winkel. De vrouw van de directeur zwaaide er de scepter en hield scherp in de gaten of iedereen op zondag wel naar de kerk ging. Men maakte er lange dagen. Zitten tijdens werktijd was verboden. 'Pas wanneer de laatste klant was verdwenen, ging de deur op slot. Dan werd de winkel schoongemaakt en kregen de heren een biertje en de dames een glas melk.'

Stuk voor stuk zijn hier de bedrijfsgeschiedenissen opgetekend van tientallen ondernemingen, tot en met de jongere lichting van zaken als Blokker, Zeeman en Hij. Als het boek niet bijna twee kilo woog en ook qua afmetingen nogal groot was uitgevallen, zou het een onderhoudende en hoogst informatieve wandelgids voor winkelcentra kunnen zijn, want van ieder bedrijf is de historie te vinden. Hoe belangrijk de grootwinkelbedrijven nu zijn, blijkt uit de cijfers: slechts 0,2 procent van alle 91.000 ondernemingen in de detailhandel behoort tot het grootwinkelbedrijf, maar die 0,2 procent exploiteert met circa 15.000 eigen vestigingen zo'n 10 procent van alle verkooppunten en heeft een marktaandeel van 38 procent.

    • Henk van Gelder