Omstreden biografieën

Christoph Gradmann: Historische Belletristik, Populäre historische Biographien in der Weimarer Republik 256 blz., Campus Verlag 1993, ƒ 95,45

De redactie van het Historische Zeitschrift wijdde in 1928 een themanummer aan de beoefenaren van het onwetenschappelijk genre van de 'vie romancée' en schiep zelfs een kleinerend neologisme 'Belletristik'. Het woord bleek levensvatbaar en werd in 1931 in de Brockhaus als volgt omschreven: aanduiding voor geschiedkundige werken, vooral biografieën die een geringe wetenschappelijke betekenis hebben, maar hun kracht ontlenen aan een sterk persoonlijk gekleurde kijk op het verleden. De auteurs maken veelvuldig gebruik van literaire stijlmiddelen met als uiteindelijk doel een politiek-wereldbeschouwelijk engagement bij de lezer ingang te doen vinden. In Duitsland, zo besluit de Brockhaus, is in de eerste Wereldoorlog een scherpe tegenstelling ontstaan tussen de commercieel zo geslaagde 'historische Belletristik' en de historische vakwetenschap.

Dit ook ons zo vertrouwde debat tussen de dilettant en de beroeps - de 'beamtete Historiker' - vormt het thema van Historische Belletristik van de Duitse historicus Christoph Gradmann (1960). De keuze voor de maatschappelijke context van de republiek van Weimar doet de lezer vanaf het begin al vermoeden dat de woordenwisseling ongewoon fel zal zijn geweest. Het professorale gilde was niet alleen geïrriteerd door de hoge oplagecijfers van menige liefhebberende leek, maar voelde zich ook tot in het diepst van de ziel gekwetst door de produkten van deze populaire pennevoerders. Zij haalden, zo meenden zij, het recente Duitse verleden door het slijk.

Ordinaire broodnijd, gemaskeerd als professorale verontrusting over de oppervlakkigheid van de leek speelde, zo wordt uit Gradmanns studie duidelijk, zeker een rol. Wie echter nu het uit tientallen delen bestaande Verzamelde Werk van Emil Ludwig doorbladert kan het succes niet verklaren uit de oppervlakkige gehaastheid van de lezer in de jaren twintig.

Duel

De dilettant-historicus koos brandend actuele thema's die de vakhistoricus van die dagen liet liggen. Het progressief-democratisch perspectief van waaruit juist die dilettanten hun politieke opvoedkunde bedreven en de kritiek die zij daarmee formuleerden aan het adres van helden als Frederik de Grote, Bismarck en Hindenburg werd door vele leden van het historische gilde opgevat als provocatie. Juist zij hadden de neiging figuren als Frederik de Grote en Bismarck tot bovenmenselijke proporties op te blazen en het gebrek aan echte helden in die armzalige republiek van Weimar te bejammeren. Emil Ludwigs kritische biografie van Wilhelm II uit 1925 die in een periode van vijf jaar in 200.000 exemplaren over de toonbank ging, vervulde de rol van politieke vlammenwerper. De 'tegenpartij' aanvaardde de uitdaging dan ook en nodigde bij monde van Generaloberst a.D. von Plessen de auteur uit tot een duel op pistolen. Toch valt het op dat Ludwig bij alle kritiek op de 'zur ewigen Uniform verdammten' keizer nadrukkelijk het Duitse volk in zijn beschouwing betrekt en dus nalaat de keizer alleen tot schuldige aan de politieke catastrofe te verklaren. 'Zu rasch sind die Deutschen ihrem jungen Kaiser ähnlich geworden, zu gut gefiel er ihnen, so trieben sie einander vorwärts, immer weiter, immer reicher, bis zur Hybris.'

Ludwig, maar ook andere, in vergetelheid geraakte auteurs als Werner Hegemann en Valeriu Marcu streefden ernaar Bürgermentalität te bevorderen en eens en voor altijd af te rekenen met de geest van onderdanigheid, die Heinrich Mann in Der Untertan al op de korrel had genomen. Ongetwijfeld maakte Ludwig zich dikwijls schuldig aan sterk vereenvoudigende typeringen. Toch bleek hij een beter historicus dan menige collega uit het gilde die met een verwijzing naar zijn joodse achtergrond de discussie over zijn betekenis als Duits historicus wenste te sluiten.

Vooral na de verschijning van zijn boek Juli 14 in 1929 liep men te hoop tegen de man die in zijn boek de stelling waagde te poneren dat de catastrofe te wijten was geweest aan het gebrek aan democratische controle in de verschillende landen. Rusland en Oostenrijk waren uit dit perspectief schuldiger dan Duitsland en Frankrijk. Engeland kon naar Ludwigs mening zelfs van alle schuld worden vrijgepleit. De meeste critici richtten zich echter niet op de eenvoud van dit dualistisch wereldbeeld, maar op de Europese gezindheid van Ludwig die hem noodzakelijkwijs ertoe zou brengen Duitse 'Staatshoheit' te kleineren.

Legitimiteit

Gradmann laat in zijn studie zien dat binnen het gilde van de Ludwig-bestrijders aanvankelijk grote individuele schakeringen bestonden. Na de verschijning van Juli 14 evenwel werd de toon onheilspellender: de 'beamtete Historiker', bedreigd in het heiligdom van het wetenschappelijk onderzoek, slingerde zijn banvloek tegen indringers als Ludwig die zijn hart had verpand aan de 'ahistorische' ratio in plaats van aan de historische natio. De weg werd geëffend voor een nazistisch smaadschrift van Nils Hansen Der Fall Emil Ludwig (1930) dat tot begrijpelijke verbazing van Gradmann in bibliografieën en lexica tot op de dag van vandaag nog steeds als een serieuze studie wordt beschouwd. Het blijkt dat vooral Juli 14 de toorn van de nazi's gewekt heeft. Dit pamflet werd welwillend ontvangen. Alleen Wilhelm Mommsen beklaagde zich bij de schrijver dat hij hem zonder bronvermelding geciteerd had, zelfs 'ziemlich reichlich ausgeplündert', maar na een vriendelijk briefje over en weer scheidde men toch in goede harmonie.

Critici van Ludwig uit het beschaafd nationalistisch kamp, zoals Mommsen, gefixeerd op de eigen boven de partijen staande status als cultuurdrager hebben, doorgaans ongewild, de weg vrijgemaakt voor onbeschaafd rechts van volkse signatuur. Hansen was daarvan een sprekende vertegenwoordiger. Joachim Fest heeft hier reeds op gewezen in Das Gesicht des dritten Reiches, Profile einer totalitären Herrschaft en kan in Gradmanns studie uitsluitend een bevestiging van dit standpunt zien. Het beeld dat deze schetst van de 'beamtete Historiker' is dus nauwelijks verrassend. Voor de dilettanten echter springt hij in de bres. Zij hadden de moed, aldus Gradmann, met de oude monarchale traditie te breken en waagden althans een poging door middel van hun populaire geschiedschrijving de republiek van Weimar aan een historische legitimiteit te helpen. De keizer is gevlucht, leve de democratische republiek, dat had het moeten worden en Ludwig meende met zijn portret van Rathenau als Duitse Europeaan daaraan een bescheiden bijdrage te kunnen leveren.

De meesten van het gilde moesten van dit engagement niets hebben. Het wilhelminische Duitsland was hun Duitsland geweest. Daarin waren zij tot eer en aanzien geraakt en het verbreken van die band stond voor sommige van hen gelijk aan het doorknippen van een navelstreng. Vandaar, zo meende Ludwig Marcuse in jaren dertig, één van Ludwigs sympathisanten, wensten zij dat over de ex-keizer en de oorzaken van de oorlog gezwegen werd. Zij wilden niet worden 'ingelicht' door een publicist als Emil Ludwig, die het bestond om ook zonder inzage van 'alle' documenten het recente verleden tot onderwerp van een historisch debat te maken dat ook een onontkoombaar politiek debat zou zijn. Ludwigs Wilhelm II, zo vervolgde Marcuse, zette de honden op het spoor, met Juli 14 werd de jacht eerst goed geopend. Ludwig heeft het niet afgewacht. Na 1933 woonde hij eerst in Zwitserland en vanaf 1940 in de Verenigde Staten. In 1945 keerde hij naar Zwitserland terug waar hij drie jaar later overleed.

Moord

Ook Huizinga, die enkele malen in Gradmanns studie genoemd wordt, heeft zich met het werk van Emil Ludwig beziggehouden. Zijn retorische vraag of de belangstelling voor het werk van Ludwig mogelijkerwijs voortkomt uit de geestelijke gemakzucht van een met film grootgebracht publiek zal niet door een ieder onmiddellijk bevestigend worden beantwoord.

Een andere kritische kanttekening lijkt mij nog wèl steekhoudend: het is auteurs als Ludwig, zo schrijft hij, niet te doen om het sobere deel der kenbare waarheid. 'Deze geesten kennen de resignatie in het niet-weten niet, noch de goede smaak van het ongezegd-laten. Zij onderschatten de verbeeldingskracht van hun lezer, die hun strikjes en kwikjes wel missen kan.'

Ter verklaring van Ludwigs woordenrijkdom zou wellicht het volgende kunnen gelden. Hij bedreef in feite historische pedagogie en was als vele pedagogen een gedrevene. In Der Mord in Davos (1936), dat in Zwitserland niet mocht verschijnen en derhalve door Querido werd uitgebracht, is zijn uitgangspunt de moord op een nazibons Gustloff door een joodse student David Frankfurter, een 'Rächer aus verlorener Ehre'. De student is in Ludwigs 'krude Typik' meer de belichaming van een principe dan een mens van vlees en bloed. De daad, waartoe hij had besloten omdat hij in een staat van volledige rechteloosheid was geraakt, was 'ein Akt der Notwehr' aldus Ludwig. Hij stapelde uit de meest verschillende tijden en culturen bewijs op bewijs van dergelijke politieke moorden om zijn mening te staven: de historicus als advocaat à décharge die ten behoeve van zijn cliënt niets ongezegd kan laten. Wie sprong in de bres voor Frankfurter wanneer hij het niet deed?

    • Rob de Ruig