Kukeleku, hoezee!

Frankrijk is niet een groot land en Nederland is niet een klein land. Tussen een land dat niet klein is en een land dat niet groot is bestaat een enorm verschil. Zo heeft het niet-grote Frankrijk een atoombom en had het niet-kleine Nederland een ban-de-bom beweging. Zo wist Frankrijk openlijk allerlei uitzonderingen te bedingen op het GATT-vrijhandelsverdrag en probeerde Nederland dat hooguit binnenskamers.

Frankrijk in zijn ongrootheid wil de import van buitenlandse, dus Amerikaanse, films beperken, Nederland in zijn onkleinheid maakt zich daar niet druk over. Nederlandse musici maken hun eigen teksten in het Engels, in Frankrijk worden Amerikaanse nummers nagedaan in het Frans door inheemse zangers die geen wijs en geen maat kunnen houden.

Nog een verschil: haast alle Fransen spreken Frans en veruit de meeste Nederlanders spreken geen Frans. Veel Nederlanders voelen dat als een gemis, maar in Frankrijk weet men ternauwernood wat even verderop gesproken wordt. Tot nu toe spraken de Fransen hun Frans omdat ze dat zo gewend waren en omdat alle anderen het ook deden: dus dat kwam goed uit. Maar binnenkort doen ze het omdat het een wettelijk vereiste wordt. Daarvoor is zojuist een wetsontwerp ingediend waarin het Frans bindend wordt voorgeschreven bij overeenkomsten, mededelingen voor algemeen gebruik en opschriften aan de openbare weg. Dat is even nuttig als een wet die het rechtop lopen verplicht stelt.

Ook gebruiksaanwijzingen en garanties moeten voortaan in het Frans worden gesteld, maar wat voor Frans wordt niet gepreciseerd. De misverstanden zullen dan nog wel even voortduren, want de aanwijzingen bij produkten uit verre, vreemde landen worden vertaald door het holbewonertje uit Hongkong dat honderd talen kent en het Nederlands ongeveer zo benadert: “Man steckt wriemell in vore en wartet tot yt hardt wor, daaropvolgende drukkt men kraftich het wriemell in en uut de vore tot aan de paroxysm.”

Het zou jammer zijn als hieraan bij wet een eind gemaakt werd.

Het nieuwe wetsontwerp schrijft Frans voor in al het onderwijs en bij de examens. De wet verbiedt bijeenkomsten waarin geen Frans gesproken kan worden (dat is dus meer een verbod op een verbod van het Frans), op straffe van inhouding van subsidie.

Waarom wordt zo'n wet gemaakt? Al ten minste twintig jaar heerst in Frankrijk de angst dat het Frans besmet zal raken, verder wordt aangetast, en ten slotte uitsterft. En omdat Frans is wie Frans spreekt, zal met de taal dus ook de soort verdwijnen. Zulke angstvoorstellingen volgden op het verliezen van de Tweede Wereldoorlog, de daaropvolgende ondergang van het koloniaal wereldrijk, en op het teloorgaan van de leidende positie in de internationale diplomatie. Maar Frankrijk had verwacht dat het toch toonaangevend zou blijven in de Europese Gemeenschap. Op het moment dat Engeland toetrad tot de EG, in 1973, begon de gestage verdringing van het Frans door het Engels in de Europese bureaucratie. De vorige taalwet in Frankrijk dateert van 1975.

Voor eigen achterban blijft Frankrijk een wereldmacht: metropool van de Francophonie, het groot verband waarin een vijftigtal regeringen samengaan op grond van een gemeenschappelijke taal. Behalve in Québec, Franstalig Zwitserland, Wallonië en in een paar enclaves is dat Frans nergens de omgangstaal maar wordt het vooral gebruikt voor officiële doeleinden, in de universiteiten en in het verkeer met het buitenland. Het Frans beleid is er nu op gericht die Francophonie zoveel mogelijk te propageren. Maar bovendien wil het de verdere verbreiding van het Engels tegengaan. Dat moet voorkomen dat in de uitwisseling tussen de volkeren de veelvormigheid en de verscheidenheid teloorgaan doordat alle eigenheid wordt samengedrukt in één enkele, overheersende standaardtaal die aan allen haar onverbiddelijke eenvormigheid oplegt.

Zo zeggen ze dat ongeveer. Maar als mensen geen taal gemeen hebben, kunnen ze zich helemaal niet verstaanbaar maken, en komt van al die verscheidenheid, of ze nu eigen is of andermans, helemaal niets over. Daarop is nu de 'pédagogie de l'intercompréhension' bedacht die de kinderen niet zozeer leert een vreemde taal te spreken of te schrijven, maar om die te kunnen lezen en verstaan. Als de kinderen aan de andere kant dat nu ook leren, kunnen ze elkaar met twee keer de helft van de moeite toch begrijpen.

In de disco gaat dat goed en in de business class ook, maar voor de uitwisseling van de volkseigene veelsoortigheid, of zelfs maar voor een zinnig gesprek, is het niet genoeg. Het voorstel is ingegeven door een mengeling van wanhoop en hoogmoed. Aan het woord is de minister van Cultuur en Francophonie, Jacques Toubon, in Le Monde van 24 februari.

“In bepaalde kringen heeft maar al te vaak de gedachte de overhand gekregen dat de prijs die betaald moet worden om zich in de huidige wereld te kunnen bewegen, om er handel te drijven en om aan de wetenschappelijke uitwisseling deel te nemen, het opgeven van de Franse taal zou zijn, die zich dan beperkt zou zien tot huiselijk, plaatselijk en ondergeschikt gebruik.” Die bepaalde kringen hebben met hun gedachte de feiten aan hun kant.

Het betoog wiekt dus nog wat hogerop: “Wil zich een beter Europa vormen, dan moet het dit onvergelijkelijk erfgoed van de verscheidenheid van haar talen en van de scheppingskracht van haar volkeren tot volle wasdom brengen. In Frankrijk zelf zouden wij erbij winnen als ouders in groteren getale zouden beseffen dat de toekomst niet is aan het voortijdig bijbrengen aan de leerlingen van een verschraald Engels dat zich nu eenmaal op elke leeftijd makkelijk laat aanleren, maar aan de veel diepgaander verwerving van het Duits, het Spaans, het Arabisch, het Japans, het Italiaans, het Japans of Russisch.”

Het ligt toch veel meer voor de hand eerst het Engels diepgaand te verwerven en pas dan, als tweede vreemde taal, desnoods verschraald, een van de vele uit die reeks te leren. Maar het gaat hier helemaal niet om de communicatie, maar om het tegenhouden van het Engels en het behouden van het Frans in het volkerenverkeer.

Voor zulke nationale grootheidswaan hebben de Fransen een afdoende term: 'Cocorico'.

    • A. de Swaan