J.H. HUIZINGA 1908 - 1994; Man van de wereld

Zoon van een beroemde vader te zijn is niet gemakkelijk. Leonhard Huizinga schreef daarover in zijn Herinneringen aan mijn vader (1963). Zijn jongere broer, Jakob, had daar ogenschijnlijk minder last van. De grote historicus schreef dan ook aan zijn toekomstige tweede vrouw in 1937: “Hij is van de kinderen degene met wie ik het best kan spreken.”

Maar dat wil niet zeggen dat Jakob, die op 1 maart overleed, hetzelfde studieuze, gesloten karakter van zijn vader had. Hij was eerder een vlotte man van de wereld. In studie in Nederland had hij geen zin, en daarom stuurde zijn vader hem naar de Amerikaanse universiteit Yale. Hij bleef langer in Amerika dan oorspronkelijk de bedoeling was. In 1931 voltooide hij zijn studie economie aan Columbia (New York City), en daarna werkte hij enige tijd in Wall Street.

Per 1 april 1936 werd hij, als opvolger van P.N. van Eyck, benoemd tot correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant te Londen. De Duitse inval in Nederland maakte dat hij ander werk moest zoeken. Dat vond hij, evenals de meeste Nederlandse correspondenten, bij de Nederlandse regering in ballingschap. Hij werd bij de voorlichtingsdienst aangesteld. In de Nederlandse kolonie behoorde hij tot de vrolijkeren. Er is een gedicht van hem uit die tijd waarin de leden van de Nederlandse regering worden gekenschetst. Eén regel is in het geheugen blijven hangen: “Van Angeren (minister van Justitie) is een van de bangeren.” Korte daarna werd hij voor een jaar gedetacheerd bij het Nederlands Informatiebureau te New York.

Na de oorlog hervatte Huizinga, die langzamerhand (ook door zijn vader) Jim werd genoemd, zijn werk voor de NRC. Hier nam hij een belangrijke positie in. Huizinga was, anders dan de meeste leden van de redactie die de oorlogsjaren in Nederland hadden vertoefd, de man van ervaring, die iets van de wereld had gezien. Dat liet niet na indruk te maken op de redactie, ook de hoofdredactie, vooral wanneer hij een brief naar de redactie stuurde op het postpapier van Chartwell (het buitenhuis van Churchill).

Zijn kopij was dan ook vrijwel heilig (het was toch al niet de gewoonte bij de NRC om te schrappen in de kopij van correspondenten). Maar na enige jaren kreeg hij genoeg van dit werk (misschien ook wel omdat hij spoedig doorhad dat Londen niet meer het centrum van de wereld was). In 1953 werd hij reiscorrespondent, met standplaats Londen. Talloze reportages heeft hij voor de NRC geschreven. Zij hadden in de jaren vijftig en zestig een nog groter lezerspubliek dan zijn berichten uit Londen.

Het was nog de tijd dat de lezer geen bezwaar had tegen lange series van artikelen, die niet altijd op opeenvolgende dagen verschenen. Huizinga, die zijn reizen altijd buitengewoon grondig voorbereidde, kon kwijt wat hij wilde. Zo bevatte een serie over Zuid-Afrika, die omstreeks 1960 verscheen, ongeveer twintig afleveringen. Op grond daarvan werd hij in Nederland uitgenodigd om als spreker op te treden. “Het is geen grootspraak wanneer ik zeg”, zo zei hij bij de ontvangst van de Robert-Schumanprijs van de Europese Beweging in 1965, “dat er weinig kranten in de wereld zijn die hun medewerkers zoveel plaatsruimte en zoveel tijd ter beschikking stellen om de problemen van de dag in al hun nuances te analyseren.”

Die prijs had hij gekregen omdat hij zich in sommige van zijn series overtuigd Europeaan had betoond. In zoverre was hij minder Brits geworden dan soms van hem werd aangenomen. Integendeel: een boek dat hij in die tijd schreef, droeg de provocerende titel: Confessions of a European. Het is de vraag of hij de lof die hij bij gelegenheid van die prijsuitreiking uitsprak een paar jaar later zou hebben herhaald. Ook de NRC ging langzamerhand over tot een bondiger berichtgeving, wat betekende dat haar correspondenten strakker gebonden werden aan aantal en omvang van hun artikelen. Die overgang is Huizinga zeker niet gemakkelijk gevallen, maar hij heeft zich loyaal in de nieuwe discipline geschikt. Eén keer erkende hij spontaan dat een serie erop vooruitgegaan was nadat de redactie het mes erin had gezet.

Huizinga werkte toen al in deeltijd voor de NRC. Ongeveer de helft van het jaar wilde hij zich wijden aan essays en boeken schrijven - voor de Britse markt. Dat heeft niet het succes gehad dat hij er wellicht van verwacht had. Die markt zit niet te wachten op buitenlandse auteurs, of ze moeten zo origineel of briljant zijn dat dit dadelijk in het oog springt. Dat was met Huizinga's werk, althans in de ogen van Britse uitgevers, tijdschriften en critici, niet het geval. Niettemin verschenen, behalve het eerder genoemde, nog een boek over Paul-Henri Spaak en een over Jean-Jacques Rousseau.

De fusie van NRC met Algemeen Handelsblad heeft Huizinga niet meer meegemaakt, omdat bij die gelegenheid alle redacteuren die de 60 waren gepasseerd, met pensioen gingen. Zijn band met de krant eindigde dus in 1970. Daarmee kwam ook een eind aan een periode waarin hij een belangrijke bron van informatie was voor een lezerspubliek dat zelf nog niet veel gelegenheid had de wereld te bereizen.

    • J.L. Heldring