Het verzuilde land

Dirk Jan Wolffram: Bezwaarden en verlichten. Verzuiling in een Gelderse provinciestad. Harderwijk 1850-1925 324 blz., Het Spinhuis 1993, ƒ 37,50Frans Groot: Roomsen, rechtzinnigen en nieuwlichters. Verzuiling in een Hollandse plattelandsgemeente. Naaldwijk 1850-1930 301 blz., geïll., Verloren 1992, ƒ 49,-

Jan van Miert: Wars van clubgeest en partijzucht. Liberalen, natie en verzuiling, Tiel en Winschoten 1850-1920 305 blz., geïll., Amsterdam University Press 1993, ƒ 49,50

Gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw maakte het politieke leven in Nederland de indruk van beraadslagingen op de Grote Club te Rommeldam: de markies van Cantecler, de heer Fant en burgemeester Dickerdack schikten en plooiden de zwarigheden die het optreden van Bommel en enkele andere splijtzwammen bij tijd en wijle opriep. Een hoogburgerlijke elite regeerde met vaderlijke liefde en toorn het landelijk grootgrutterend volk.

Op het oog verschilde de toestand niet bijzonder van het stilstaand water van de late Republiek, maar dat was slechts schijn. De centralisering en stroomlijning van het bestuur van kerk en samenleving door koning Willem I brachten een gereedheid in de geestelijke en de wereldlijke gemeente teweeg, een groeiende bereidheid tot deelneming aan een politieke en maatschappelijke ontplooiing, die de oude vormen van gewestelijk bestuur en ruggespraak nooit hadden kunnen herbergen. De ruimdenkende hervormde elite schutte de stijgende vloed van gunsten die eerst de koning, maar na 1848 zijzelf over het volk uitstortte. Zo werd het volk halverwege de eeuw een grondwet, een kieswet en een rudimentair verzorgings- en onderwijsstelsel deelachtig.

Het duurde ruim vijftig jaar voor de storm geoogst werd die al door de Franse revolutie gezaaid was, maar die zich openbaarde met het aantreden van de Anti-Revolutionaire Partij in de vaderlandse politiek rond 1880, met enige vertraging gevolgd door de katholieke emancipatie. Maar daarvoor al hadden opstandige protestantse orthodoxen bressen geslagen in de Nederlandse Hervormde Kerk, de geestelijk raadsman van de Grote Club die door Marten Toonder wijselijk uit zijn 'zedenspieghel' is weggelaten. Geestdriftig verdeeld stortte Nederland zich in de twintigste eeuw. Rond 1920 kreeg deze wedstrijd om macht en middelen zijn beslag met de gelijkberechtiging van het openbaar en bijzonder onderwijs, en de toekenning van het algemeen kiesrecht.

Trouw

Het gescheiden optrekken van de verschillende volksdelen, dat onder de naam 'verzuiling' bekend staat, is door de geschiedenisschrijvende en -makende voormannen van de zuilen vurig verdedigd, en wordt tot op heden door de liberale nazaten van het 'denkend deel der natie' even vurig bestreden. Aan die commentaren zijn in later tijd de wetenschappelijke observaties toegevoegd van sociologen en politicologen, die deze breuk met een ogenschijnlijk zo verenigd verleden poogden te begrijpen.

Op een enkele na droegen deze studies bij tot de verdieping van het inzicht in de verzuiling op het nationale vlak. Baanbrekend was het werk van de politicoloog Arend Lijphart die in 1968 de voorwaarden blootlegde van wat hij de 'pacificatie-democratie' in Nederland noemde: levensbeschouwelijke verdeeldheid aan de basis, trouw en lijdzaamheid van het voetvolk ten opzichte van de voormannen van de zuilen, overkoepelende samenwerking tussen de leiders van de verzuilde bevolkingsgroepen. Maar werd de rol van de achterhoede door deze studies die zich op de nationale politiek concentreerden niet ernstig gebagatelliseerd?

Tot zo'n tien jaar geleden beschouwden de meeste van deze onderzoeken de verzuiling hoofdzakelijk op het niveau van de nationale steekspelen en de landelijke coalities tussen de zuilen. In 1980 gaf echter de Vakgroep Nieuwe en Theoretische Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam het startsein voor een langdurig onderzoek naar het verloop van de verzuiling op plaatselijk niveau tussen 1850 en 1920. Dat initiatief heeft tot dusver een veelheid van scripties en een vijftal dissertaties opgeleverd, waarvan er hier drie besproken worden. Eerder verschenen twee proefschriften over de verzuiling in Woerden en in Hoorn.

Lokale geschiedschrijving bezit een onmiskenbare charme vergeleken met de strakker geregisseerde stukken van het nationaal-politieke toneel, en die charme ontbreekt ook hier niet. De acteurs zijn niet alleen, of zelfs niet in de eerste plaats politici, maar koster, steenfabrikant, boer of tuinder, pastoor en predikant. Hun politiek optreden draagt van die rollen de sporen, zeker in het begin van de beschreven periode, als hun engagement nog zo nieuw is. De steile figuur van de Harderwijkse conrector Schuurmans Stekhoven, in strijd verwikkeld met allen die de armen onder de hoede van de kerk probeerden uit te troggelen, de pastoor van Naaldwijk, tussen twee vuren bij de 300-jarige herdenking van de inneming van Den Briel door de Watergeuzen, en de eerste socialist in de Winschotense gemeenteraad - men zal ze niet licht vergeten.

Begin van inspraak

Hierboven is de voorstelling al ingeleid als de 'Ondergang van de Grote Club'. Wat in een van de eerder verschenen dissertaties, op voorspraak van de Hoornsche Courant, zo fraai het juste milieu werd genoemd - de notabelen die het juiste midden wisten te bewaren tussen volkssoevereiniteit en monarchisme, tussen 'ongodisme' en 'geestdrijverij' - speelt in het eerste bedrijf, van 1850 tot circa 1875, nog de hoofdrol. Het burgemeestersambt is in vaste hand van een of twee vooraanstaande geslachten, die ook vaak de wethouders leverden, en belangrijke posities in de Nederlandse Hervormde Kerk bekleedden. Hun invloed op de enkele overheidsvoorzieningen, zoals de armenzorg en het onderwijs was groot. Maar over die luttele zorgen die de plaatselijke overheid toen had, begint het gesteggel al in de jaren zestig. En binnen de Hervormde Kerk begint een strijd tussen vrijzinnigen en rechtzinnigen over beroepingen van predikanten en beheer van zaken die niet zal aflaten tot de laatsten zich in het tweede bedrijf van de Kerk zullen hebben losgescheurd.

Als het doek opgaat worden meteen de eerste rechtstreekse verkiezingen voor de gemeenteraad gehouden, en niet lang daarna volgt een voorzichtig begin van inspraak door lidmaten in kerkzaken. De 'democratisering van bovenaf' gaat vergezeld van groter toezicht en regelgeving van bovenaf. Door de spleetjes die in de politieke coterie zijn ontstaan klinken, eerst zachtjes maar allengs luider, stemmen van protest tegen centralisme en etatisme en van verdediging van die voorzieningen die nu juist door de eigen kring zouden moeten worden behartigd, zoals armenzorg en het lager onderwijs. In de eerste helft van het bedrijf voegt zich bij dat koor een groep mensen die tot nog toe uitgesloten was van het bestuur, de hogere middenstand, figuren die volgens een indeling van een van de schijvers niet tot de oude 'cultuur-elite' maar tot de 'handels-elite' behoren. Tezamen met het oudere verzet tegen de voortschrijdende verstatelijking van het leven, maakt die groep zich sterk voor strenge boekhouding en rekenschap in de kerkelijke en politieke gemeente.

Zo zou men, vereenvoudigd, de geleidelijke profilering van de protestantse orthodoxie in bijna alle beschreven steden en dorpen kunnen samenvatten. In Naaldwijk en Tiel betreedt bovendien een aanzienlijke katholieke minderheid het toneel, voorlopig onder aegis van het liberale juste milieu, maar van nature begiftigd met eenzelfde neiging tot zelfbestuur en -zorg als de rechtzinnigen. Aan het eind van het eerste bedrijf raken de twee groepen verwikkeld in een wankel verbond tegen 'het moderne sektarisme', waarmee dan de hoogprotestantse opvattingen worden bedoeld, maar bovendien in gezonde wedijver om macht en middelen. Bij aanvang van het stuk zijn de verhoudingen al gespannen wegens het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, en vlak voor het tweede bedrijf, in 1872, neemt het spel een komische wending, met een heus beleg van de katholieke kerk in Naaldwijk, wegens het verzuim te vlaggen bij de al genoemde herdenking van de inneming van Den Briel.

Doleantie

In het tweede bedrijf, dat tot rond de eeuwwisseling duurt, wordt de Grote Club steeds verder in de verdediging gedrongen, en verliest zij vele van haar bevoorrechte posities in het openbare leven aan de confessionelen, zowel in de raad als in het vermaarde Nederlandse stichtingen- en gestichtswezen. In het laatste kwart van de eeuw kristalliseren de individualistisch opgezette plaatselijke kiesverenigingen uit tot partij-afdelingen; dan scharen de kleurrijke, grillige baasjes ter plekke zich langzamerhand in een zeker gareel, liberaal, conservatief, anti-revolutionair of katholiek. Een en ander wordt bespoedigd door de uitbreidingen van het electoraat in het laatste kwart van de eeuw en de vorming van het eerste confessionele kabinet.

De ongemakkelijke cohabitatie van de vrijzinnigen en orthodoxen in 'het hotel met gastverblijven' zoals Frans Groot de Nederlandse Hervormde Kerk betitelt, neemt een einde met de Doleantie in 1886: Kuyper en de zijnen verlaten na de politieke breuk met de liberalen nu ook het geestelijk 'huis der vaderen'. Voor ons oog speelt zich een pijnlijke touwtrekkerij af over de kerkelijke ruimtes en posities. Een fraaie antropologische studie van Verrips (1978) over een Zuidhollands dorp verhaalt hoe de gereformeerden, na protesten van hervormde zijde, hun kerk aan de overkant van het water bouwden zodat de kerkgangers elkaars aanblik niet zouden hoeven te verdragen.

De vrolijke noot in dit bedrijf wordt gevormd door de inspanningen van orthodoxe zijde om een eind te maken aan de kermis en ander tuchtloos volksvermaak. Die bemoeienissen, door een enkele auteur wat potsierlijk als 'beschavingsoffensief' aangemerkt, deden zich in elk stadje voor. In Harderwijk, een garnizoensstad van het koloniale leger, was bovendien de prostitutie, nota bene van overheidswege gereglementeerd, een doorn in het oog van de mannenbroeders. Onder het regime van de Grote Club werden deze uitspattingen gedoogd als 'ventielzeden' voor de goegemeenschap, en dat was reden te meer voor de rechtzinnigen om te pogen het ten val te brengen.

In het derde en laatste bedrijf wordt de hegemonie van de oude elite definitief gebroken. De trouwe commissaris Bulle Bas, een officier en lid van de (vrijzinnige) Nederlandse Protestanten Bond in Harderwijk verzucht aan het eind van de negentiende eeuw: 'Ik vergelijk onze Afdeeling op de orthodoxe Veluwe wel eens met een kleine vesting, van alle zijden door den vijand omringd, die besloten heeft haar door insluiting tot overgave te dwingen. De vijand weet bovendien, dat het de bezetting meerendeels aan werkkracht en zelfvertrouwen ontbreekt; dat de bezetting niet gelooft aan de zegepraal harerzijds...'.

Frans Groot meent dat er onder de katholieken in Naaldwijk geen frontmentaliteit heerste, maar op de Veluwe was dat tussen de protestantse facties kennelijk anders. In verscheidene van de onderzochte plaatsjes ruimt de laatste liberale telg van de burgemeestersgeslachten rond de eeuwwisseling het veld voor een christelijk-orthodoxe figuur. Ook in gemeenten waar de katholieken maar een kleine minderheid vormen dringen zij door in de raad en in het bestuurlijk bestel, nu als katholieken gekozen, en niet minzaam door de elite uitverkoren als symbolisch vertegenwoordiger zoals onder het oude bewind.

Nieuwe vijand

De gemeenteraden en de instellingen zijn omstreeks 1920 - het ogenblik waarop de Schoolstrijd in het voordeel van de bijzondere scholen wordt beslecht en algemeen kiesrecht wordt toegekend - stevig in handen van een confessionele coalitie. Die krijgt nog heel wat te stellen met het bewaren van de vrede in huis, en met de nieuwe vijand, de socialisten, maar hoeft zich geen zorgen meer te maken over haar erfvijand èn weldoener uit de negentiende eeuw, de vrijzinnig protestantse bestuurderen. Het doek valt voor de Grote Club.

Zo zien de rolbezetting en de handeling er ruwweg uit in de vijf plaatsen, en er is gegronde reden om aan te nemen dat elders in het land eenzelfde toneel werd opgevoerd, met inachtneming van de smaakverschillen tussen stad en platteland, en in overeenstemming met de krachtsverhoudingen tussen de gezindten ter plaatse. Zo'n conclusie laat zich in ieder geval wèl trekken.

Blijft de vraag naar het samenspel tussen deze drama's in vestzakformaat en het nationaal theater van de grote politiek. Veel ruimte voor bespiegelingen hebben de schrijvers van deze overigens zo boeiende miniaturen niet, en wie weet is het wachten op een samenvattende en extrapolerende dissertatie uit dezelfde hoek.

Een paar zaken laten zich niettemin al aflezen. Wie de aanduiding 'kleine luyden' van Kuyper zou hebben vereenzelvigd met 'de mindere man' komt bedrogen uit. De aanhang van de orthodoxe beweging bestond waarachtig niet alleen uit boerenarbeiders en winkelbedienden. Dat geldt in zekere zin ook voor de katholieke emancipatie hoewel daar op grond van deze proefschriften voorzichtiger over gesproken moet worden, omdat alleen in Naaldwijk en Tiel een belangrijke katholieke minderheid woonde. Als men het begrip emancipatie overwegend sociaal-economisch opvat, komt men in moeilijkheden: de katholieke kiezers in het negentiende-eeuwse Naaldwijk behoorden tot de welvarendste boeren en tuinders. De verzuiling aan de voet van het politiek stelsel kan niet begrepen worden als een 'verheffing der onterfden'. Zij is als zodanig ook niet mislukt, zoals wel door haar socialistische critici is beweerd.

Uit het tot nu toe verzamelde materiaal mag men besluiten dat de analytici van het verzuilingsproces de meeste baat vinden bij theorieën zoals die van Norbert Elias, die oog hebben voor de paradoxale gedragingen van kleine gemeenschappen die nolens volens in staatsverband worden opgenomen. Paradoxaal omdat uit het spartelende verzet tegen 'hogerhand' vaak brede nationale bewegingen verrijzen zoals in ons geval de zuilen, die aan de top precies de algemene burgerzin vertonen die ooit het voorrecht van de Grote Club was.

De drie proefschriften ademen ondanks het gedeelde scenario elk een eigen sfeer: Wolffram slaagt er goed in de complexe gewetensnood onder orthodoxen op de Veluwe over het voetlicht te brengen, in de dissertatie over Naaldwijk wordt de lezer verrast door de bijzondere belangen van de tuinders die toen al een eigen stempel op de politiek drukten. Het proefschrift over Winschoten en Tiel is stilistisch in het nadeel omdat de blik voortdurend verschiet van het ene naar het andere toneel. Maar de eigenzinnige socialistische traditie van Winschoten en het koppige egoïsme van de Tielse bourgeoisie tekenen zich daardoor misschien des te beter af.

    • Samuel de Lange