De dood en het gevoel dat je te snel moederloos bent

'De vuurtoren', afgelopen woensdag besproken op de filmpagina, wordt vanaf 6 maart op drie opeenvolgende zondagen door de VPRO uitgezonden, steeds Ned.3, 21.21-22.21u.

Pieter Verhoeff (Lemmer, 1938), regisseur van De vuurtoren, een driedelige autobiografische kroniek van een puberteit in het Friesland van eind jaren veertig:

“Als je filmer bent, dan maak je op een keer een film over je jeugd, waar de wortels zitten van alles wat je drijft. De aanleiding was heel simpel. Toen ik acht jaar geleden aan De Dream werkte, zag ik Fellini's Amarcord en ik dacht: hé, dat is óók een plaatsje aan het water. Met mijn linkerhand heb ik toen associatief herinneringen opgeschreven. Jaren heb ik ze vervolgens afgedaan als gestolde anekdotes. Totdat ik Chiedo asilo van Ferreri zag. Aan het eind van die film loopt kleuterleider Roberto Benigni met een jongetje de zee in, terwijl zijn vriendin van hem bevalt. Dat zie je door een fles met kikkervisjes. Ik kwam de bioscoop uit en dacht dat het regende. Zonder dat ik het wist, liep ik op straat te huilen. Op een of andere manier had me dat diep geraakt. Er was iets met dat water. Als ik dat water tot bindmiddel zou kunnen maken, zo bedacht ik me, dan zou het wel goed komen met al die herinneringen van me.

In De vuurtoren heb ik mijn jeugd gemanipuleerd, ik heb er mijn verbeelding over heen laten gaan. Het is mijn meest persoonlijke film tot nog toe, gaat over de zaken die me echt beroeren: de dood en het gevoel dat je in het leven te snel moederloos bent.

In de straat waar ik woonde, een straatje van 25 huizen, gingen in mijn puberteit in drie jaar tijd zes jonge mensen dood. Steeds zag ik die kisten weggedragen worden en ik dacht: nu ben ik aan de beurt. Ik had panische doodsangsten. Mijn familie praatte ook voortdurend over dood en verdrinken. Een maand voor de geboorte van mijn moeder, verging het schip van haar vader.

Als je er over praat wordt het groot en vet en dik en pathetisch, maar ik zal mijn leven lang niet kunnen verwerken dat je, vlak nadat je veilig bij moeder op schoot hebt gezeten, ontdekt dat je dood gaat. Dat vind ik nog steeds een schande, dat je ademen ophoudt.

In mijn vorige films - Het teken van het beest, Van geluk gesproken - speelden de moeders een grote rol. Het waren nogal oedipale geschiedenissen. In De vuurtoren zijn moeders opmerkelijk afwezig. Het is niet aardig om te zeggen, maar zo heb ik dat altijd ervaren. Vanaf het moment dat je niet meer op haar schoot zat, moest je uitkijken naar een plaatsvervangster. En je wist dat je die warmte en geborgenheid nooit meer compleet zou terugvinden. Je moet op je eigen poten staan in de tochtige kaalheid. Met het gevoel van eindigheid. Komrij heeft het al gezegd: men heeft dat heel wreed geregeld. Eigenlijk zou je vanuit de maden moeten opstaan uit het graf, oud en seniel zijn en langzamerhand moeten teruggroeien naar de zalige onwetendheid van het kind-zijn en weer terugkeren in de moederschoot.

Het is een tamelijk existentieel gevoel dat het leven per definitie onveilig is en dat je dient te zoeken naar substituten om het leven draaglijk te maken en eventjes je dood te vergeten. Kunst kan je helpen je enigszins te verzoenen met het leven.

In De vuurtoren heeft de verliefdheid van de hoofdpersoon op het meisje Welmoed niets te maken met haar hogere stand. Maar alles met het feit dat het bij haar thuis licht is, dat er boeken staan, een piano, mooie schilderijen. Hij verlangt naar schoonheid. Hij wil weg, naar Amsterdam, naar het conservatorium. Muziek staat voor hem voor een andere wereld, met in het midden daarvan een vrouw. Hij probeert te ontkomen aan dood, de kleinheid van zijn milieu, verveling, fantasieloosheid. Achteraf weet hij natuurlijk heel goed dat dat ook een illusie is. Het is een poging tot vluchten, een keuze om te leven in de illusie dat je de neerwaartse spiraal kunt tegenhouden. Maar zoals zijn grootvader roept: iedereen gaat overal dood.

Friesland heb ik heel lang geassocieerd met dood, met een stilstaande vijver. Ik droomde dat ik aan de overkant van het water, in Amsterdam, iets kon bereiken in de muziek. Daar was het eigenlijke leven. Ik had ook het idee dat daar mooiere vrouwen rondliepen. Ik speelde piston, klarinet en kerkorgel, maar ik wou vooral dirigent worden. Dat is dus regisseur geworden.''

    • Alex de Ronde