Waar het licht is, maak ik het donker; Dagboeknotities van miskend taboedoorbreker Hans Henny Jahnn

Hans Henny Jahnn: Frühe Schriften. Uitg. Hoffmann und Campe, 1448 blz. Prijs ƒ 114,90.

Een buitenstaander, slechts thuis in de eenzaamheid. Vrouwen kijken een andere kant uit omdat hij zo lelijk is en mannen gaan hem uit de weg wegens zijn homoseksualiteit. Niet voor het eerst portretteert de toen achttienjarige Hans Henny Jahnn zichzelf op 5 augustus 1912 als verstotene. Hij noteert in zijn dagboek: 'Overal zie ik een grote kloof tussen mijzelf en de werkelijkheid.'

Meestal krijgt de grote boze buitenwereld de schuld, maar in 1914 schrijft hij: 'Het is toch merkwaardig dat ik de neiging heb om mijzelf zo te kwellen. Zelfs waar het licht is, maak ik het donker.' Hij zal pas gemoedsrust vinden, voorspelt hij, als hij met zijn geliefde vriend Friedel zal 'slapen' in een door hemzelf ontworpen monumentaal graf, een 'fort, bestand tegen het geweld van de tijd'. Friedel sterft in 1931, Jahnn in 1959.

Deze dagboeknotities, Frühe Schriften - Hamburger Ausgabe, het negende deel van Jahnns verzameld werk, zijn meer dan adolescentengejammer. Jahnn hield zijn leven lang de toon van het miskende genie vast. Hij voelde zich slechts begrepen door een paar uitverkorenen. Net als hij beleden zij het pacifisme en wilden ze de wereld voor een nieuwe oorlog behoeden.

Om dat ideaal te bereiken stichtte Jahnn in 1919 de Ugrino-beweging, die twaalf jaar heeft bestaan. In die tijd profiteerde hij bovendien volop van de vrijheden die de republiek van Weimar bood. Zijn toneelstukken werden gespeeld, een keer zelfs in een regie van Bertolt Brecht, en zijn gedeeltelijk door James Joyce's Ulysses beïnvloede roman Perrudja (1929) werd door Alfred Döblin, Wolfgang Koeppen en Klaus Mann geprezen als een van de belangrijkste boeken van de moderne Duitse letteren. Jahnn manifesteerde zich als taboedoorbreker. In zijn toneelstukken bezingt hij incest, onanie en zelfmoord, wat hem tot een erkende Bürgerschreck maakte.

Jahnns momentum was kortstondig. De Ugrino-groep, die op zijn hoogtepunt ongeveer tweehonderd betalende leden kende, was geen lang leven beschoren, en twee jaar na het uiteenvallen van de groep kwamen de nazi's aan de macht. Jahnns politieke stellingname werd hoofdzakelijk bepaald door de wens zoveel mogelijk lezers in Duitsland te bereiken. Hij toonde zich onkritisch jegens het nieuwe bewind, maar trok zich voor de zekerheid terug op zijn boerderij in Denemarken. Dat hij geen nazi-meeloper werd, kwam waarschijnlijk vooral doordat de nazi's zijn werk niet moesten. Toen hij probeerde zijn toneelstukken te laten opvoeren door Reichstheaterintendant Gustav Gründgens, met wie hij tot zijn dood bevriend bleef, herinnerde de Reichskulturkammer zich hem als een belijder van de 'tegennatuurlijke liefde', hetgeen gelijkstond aan een publikatieverbod.

Na de Tweede Wereldoorlog trachtten voormalige leden van Ugrino tevergeefs de beweging nieuw leven in te blazen. Maar Jahnn geloofde niet meer in de vroegere idealen, hij was weggezonken in zijn oude somberheid.

Groepsseks

Wat was Ugrino nu precies? Men experimenteerde met groepsseks in een poging om bezitsdrang uit te bannen en wijdde alle krachten aan het scheppen van kunst die de eeuwen zou trotseren. Schrijver, uitgever, orgelbouwer en architect Jahnn wist met zijn aanstekelijke enthousiasme financiële steun te krijgen om land te kopen in het noorden van Duitsland. Daar, aan de rand van de Lüneburger Heide, zou naar Jahnns ontwerp een stad verrijzen die het geestelijk centrum van een nieuwe, vredelievende wereldorde moest worden. Binnen Ugrino gedroeg Jahnn zich als een farao. Weliswaar kende de groep een soort grondwet, maar in de praktijk telde alleen Jahnns handtekening. Intriges maakten in 1931 een einde aan de Glaubensgemeinschaft Ugrino. Alleen een kleine muziekuitgeverij onder die naam bestond voort.

Het werk van Jahnn wordt gedomineerd door enkele leidmotieven, die teruggaan op gebeurtenissen in zijn jeugd. Daarom is het nu gepubliceerde 'vroege' materiaal, zoals dagboeken en schoolopstellen, zo belangrijk. Eigenaardigheden die de lezer alleen bekend waren uit zijn latere werk, speelden ook al een rol in teksten die hij naar uitgeverijen als Fischer en Insel stuurde en per kerende post retour kreeg. Zo werd Jahnn zijn hele leven geobsedeerd door paarden, die voor hem de edele, ontembare hartstocht verbeeldden. Opvallend zijn de talloze passages waarin paarden op gewelddadige wijze worden mishandeld, alsof daarmee het recht op hartstochten wordt ontkend, alsof de mens zichzelf altijd in de hand moet hebben.

Slachtingen, straffen en sadomasochistische praktijken keren ook steeds terug in het werk van Jahnn. Hij weet ze angstaanjagend beeldend weer te geven. Al in een gedicht uit 1914 beschrijft Jahnn een spel van twee jongens waarbij de een de ander onstuimig berijdt 'als een paard'. Jahnn identificeert zich met het paard, dat gestreeld wordt maar ook de sporen moet voelen om niet te vergeten wie de baas is.

Niet bekend

De jonge Jahnn was tevens gefascineerd door duistere wetenschappelijke experimenten. Het vermengen van lichaamssappen werd een welhaast religieuze activiteit, evenals latere experimenten met urinepreparaten van de hengsten die hij op zijn Deense boerderij bezat. De hormonen die hij zichzelf toediende beschouwde hij als een bron van de eeuwige jeugd. Op vijftigjarige leeftijd moest hij echter toegeven dat hij er hyperactief van werd, de slaap niet meer kon vatten. Ook ging hij er niet geïnspireerder van schrijven.

    • Peter Veldhuisen