Veroordeeld tot levenslang hamburgers; Tragikomedische verhalen van Amy Bloom

Amy Bloom: Kom tot mij. Vert. Paul Syrier. Uitg. Nijgh en van Ditmar, 180 blz. Prijs ƒ 32,50.

Amy Bloom is schrijfster en psychotherapeute. De combinatie is niet gekker dan die van dichter en boer of dichter-dominee. In haar geval is het puur winst. Weinige dingen zijn zo erg om te lezen als Amerikaans gepsychologiseer. “Als dit boek maar meteen verfilmd werd, dan hoefde ik de gedachten van het hoofdpersonage tenminste niet te lezen,” zei Jacques Vogelaar onlangs nog in een literaire televisiediscussie. Amy Bloom is dagelijks bezig met dit soort geklets en heeft dus geen enkele behoefte om het ook in haar boek te etaleren.

Integendeel, zij heeft van al dat canapé-gezeur geleerd wat een verademing het is om bondig te zijn. Ze kan prachtig een beginsituatie, waar een ander zes bladzijden voor nodig heeft, in een paar regels neerzetten: 'Het was zevenentwintig graden en ik nam mijn kinderen mee naar de club om te gaan zwemmen. Iedereen was er, ook mijn minnaar, Henry, zijn vrouw, Marie en hun twee jongens, wier namen ik ben vergeten. Mijn echtgenoot, David, bleef thuis om het gras te maaien en de Times te lezen.' Verder etaleert zij niet haar vakkennis, zij zoekt daarbovenuit naar dingen die ze niet begrijpt en geeft die ook de gelegenheid om onbegrijpelijk te zijn. Zichzelf bijvoorbeeld. Of preciezer: haar hoofdpersonages voor henzelf. Wat dat betreft is het slotverhaal, 'Psychoanalyse heeft mijn leven veranderd', vrij geestig. Daarin laat een gescheiden medica zich psychoanalyseren door een beminnelijk oud wijf en heeft niet in de gaten dat die haar uiterst gewiekst koppelt aan haar eveneens gescheiden lievelingszoon.

In een ander verhaal besluit de vrouw uit de bovengeciteerde beginzin tenslotte om haar man dan maar niet te verlaten. Eigenlijk omdat haar minnaar ineens teveel wil, trouwen en hun beider kinderen bij elkaar hebben. “Verdomme, dacht ik. Ten eerste doet Marie het prima met de jongens, ze hoeven echt niet gered te worden en ten tweede zag ik al voor me hoe ik voor de rest van mijn leven probeerde de oudste voor me te winnen. Hotdogs en hamburgers maken terwijl ik mijn meisjes had geleerd Frans, Thais en Indiaas te eten (...)”

Ja, van dat soort psychologie houd ik wel, waarin het vooruitzicht van levenslang hamburgers belangrijker is dan tien opgespitte jeugdtrauma's. Tenslotte vertelt Amy Bloom in 'Als het jaar ten einde loopt' over de vrouw van een of andere professor die zich ineens in de kelder van het huis terugtrekt, haar huishouden verwaarloost, gaat roken als een ketterse en gedichten gaat schrijven. Ze wordt door haar man naar een gekkenhuis gebracht en wordt daar teruggespoten tot haar vroegere braafheid. Maar haar dochter, uit wier standpunt het hele verhaal wordt verteld, bewaart het laatste Dunhill-pakje van haar moeder als een talisman onder haar hoofdkussen.

Als dit al verhalen zijn van een therapeute, dan toch een uit de school van de anti-psychiatrie. Als Amy Bloom al een boodschap heeft, dan toch dat een kleine dosis gekte het leven draaglijker maakt dan dodelijke porties normaliteit.

Dat blijkt zeer zeker uit de twee mooiste verhalen uit de bundel. Ze hebben allebei met dood en begrafenis te maken. Het eerste is 'Zilveren water'. Hier vertelt een jonge vrouw hoe haar zusje (alweer) gek wordt. Het is allemaal erg tragisch, maar niet onvrolijk en tussendoor worden Amy Bloom's vakgenoten mooi voor schut gezet. 'Meneer Walker las in onze aanwezigheid Rose's dossier en keek gealarmeerd toe toen Rose prachtig begon te neuriën en traag haar borsten begon te masseren. Mijn moeder en ik lachten en zelfs mijn vader begon te glimlachen. Het was Rose's gebruikelijke openingszet bij een nieuwe therapeut.' Na de séance besluit de vertelster: 'Rose was nog steeds gestoord, maar we hadden in elk geval allemaal een beetje pret gehad.'

In de flaptekst wordt Amy Bloom aangekondigd als iemand die bedreven is in 'geschiedenissen van de kleine waanzin'. Volgens mij is ze vooral bedreven in verhalen van het grote geluk. Wat is waanzin? In het allereerste verhaal 'Liefde is geen taart' wordt een tamelijk excentrieke moeder begraven, die erin geslaagd is een heel bijondere ménage à trois in stand te houden. Op de begrafenis vallen de man en de minnaar, meneer DeCuervo genaamd, elkaar in de armen. De dochter concludeert eruit dat ze haar verloofde maar de bons moet geven. 'Ik kwam niet uit een normaal gezin, ik was nog niet klaar om normaal te worden.'

Nee, maar wel om gelukkig te zijn. De moeder met haar twee mannen zegt tegen een van haar dochters: “Als zij met z'n tweeën in de kamer zijn en jullie zijn erbij, dan weet ik dat ik in een staat van genade leef.” Voor geluk is een lichte abnormaliteit nodig. Het hele verhaal, verteld op de begrafenisdag, grossiert in gelukkige kinderherinneringen. Het slot is prachtig: op het eind van de begrafenisdag gaan beide mannen, allebei net weduwnaar van dezelfde vrouw, samen een potje kaarten.

“Jij deelt dus”, zei mijn vader, achteroverleunend in zijn stoel. “Een stuiver per punt”, zei meneer DeCuervo.

    • Herman de Coninck