Rotte eieren

Er is iets vreemds deze ochtend. Ja, het is koud, maar daar ben ik aan gewend. Het vriest al een tijdje. Nee, het voelt anders. Lichter, ook al is het nog donker in mijn kamer. En de geluiden zijn weg. Ik kijk op mijn wekker. 6.15. Er moet nu toch al af en toe verkeer voorbijkomen. En dan ineens... weet ik het. Ik ga op mijn knieën voor het raam zitten en schuif het gordijn opzij. In het licht van de lantaarn zie ik dikke vlokken. Sneeuw!!!! Ik ben meteen klaarwakker. Hier heb ik maanden op gewacht.

De taxi doet er lang over. Meestal ben ik binnen het uur thuis. Maar nu zijn we al anderhalf uur onderweg. De chauffeur moppert. In de stad is de sneeuw modder. Maar als we mijn dorp inrijden lijkt het weer op de kaarten van de wintersport. Ik zie al kinderen met een slee. En op de hoek bij het kasteel glijdt zelfs een man op ski's. Op de ijsbaan naast de school is het druk. Er ontploft een sneeuwbal op de voorruit van de auto. De chauffeur moppert door. Pang nu nog een op de achterruit. Ik buk van schrik. Als mijn moeder zo thuiskomt gaan we misschien wel het bos in. Met de slee.

Ik moet die stomme muts op. Anders gaan we niet. De slee staat in de garage. Het is een speciale. Met een soort breed zadel en een stuur waar ik me ook aan kan vasthouden. Op een gewone slee gaat het niet. Daar kunnen mijn benen niet overheen. En als ik mijn voeten voor me houd rol ik er meteen af.

Eerst halen we Wendelien op. Tot aan de weg bij de Wetering gaat het lekker. Maar dan moeten we oversteken. De auto's en de NZH-bussen hebben de sneeuw hier weggereden. Wendelien en mijn moeder trekken mij over de modderweg. Het krast en de slee komt bijna niet vooruit. Maar aan de overkant begint het bos.

De houten brug, de bolle stenen brug, dan klimmen. Daar ligt hoog de berg met het torentje. Wendelien is er al eens eerder af geweest. Het gaat heel hard. Zij mag eerst. De weg naar het torentje is een spiraal. Ik zie Wendelien steeds hoger lopen. En dan ineens zoeft ze langs. Dat durf ik dus echt niet. Ik neem de laatste bocht met daarna het rechte stuk. Wel twaalf keer trekken ze me omhoog en wel vijf keer sla ik om.

Het gaat al een beetje schemeren. We moeten naar huis. Door het bos gaat het snel, maar over de Wetering gaat het nog sneller zegt Wendelien. Ze weet waar je er makkelijk op kan. Samen zitten we op de slee en mijn moeder trekt. Hier en daar knalt het ijs. We gaan de kant weer op, zegt mijn moeder. Misschien loost de melkfabriek hier wel warm water.

En dan wordt ze ineens een stuk kleiner. Eerst denk ik nog dat ze gewoon op haar knieën zit. Maar om haar heen verschijnt een grote plas water. Ze staat op de bodem van de Wetering. “Naar achteren” roept ze, “van het ijs af!” Ik kruip achter Wendelien aan naar de kant. Maar die is steil en glad. Ik ben bang. Het gaat ontzettend stinken. Een soort rotte eierenlucht. Ik kruip een stukje naar boven. Daar komt mijn moeder. Haar broek is drijfnat. We kruipen met z'n drieën tegen de kant op naar het pad. De slee...! Die staat nog op het ijs. Wendelien gaat hem halen. En dan moeten we ontzettend lachen.

Het is niet ver meer naar ons huis. Mijn moeder sopt voorop in haar laarzen. Fioefie, fioei-oefee hoor je bij elke stap. Ik val bijna flauw van die rotte eierenstank.

Als we thuiskomen is het al bijna donker. Mijn vader knijpt zijn neus dicht en mijn moeder gaat in bad. Ik kijk door het raam van mijn kamer. Duizend vlokken in het buitenlicht. Jezus schudt zijn beddeke, zeggen ze in België. Nou dan zit er nu wel een gat in zijn dons. Jammer dat ik morgen de hele dag school heb. Maar misschien sneeuwen we vannacht wel in.