Noodlijdende Duitse bonden voeren rituele dans op

BONN, 4 MAART. Het is geen exclusief Duits probleem, maar wel een zeer Duits probleem anno 1994. De kas is bijna overal slecht gevuld, bij de overheid en in het bedrijfsleven, waarvan vooral trotse sectoren als de machinebouw, de staal, de metaal in het algemeen (auto-industrie, scheepsbouw), de chemie en de elektrotechnische bedrijven magere orderportefeuilles hebben.

De dure D-mark, inflexibele werktijden, overcapaciteiten, hoge nettolonen en zeer hoge bruto loonkosten (mede als gevolg van fikse CAO-toeschietelijkheid in de afgelopen jaren), een overmaat aan regulering, een deels zelfgemaakte en ongewoon zware recessie maken het bij een matige wereldconjunctuur voor veel (export)bedrijven moeilijk tot te moeilijk. Transfers van 150 miljard mark 's jaars van West- naar Oost-Duitsland zijn allang niet meer óók mooie verkapte subsidies via Oostduitse portemonnee's voor Westduitse leveranciers. Nee, ze beginnen steeds meer reëel als zware effectieve lasten te drukken.

Eerlijk is eerlijk, gebrek aan actie in de sfeer van research en innovatie (ook bij de overheid), slecht management en weinig vooruitziend beleid in de 'boom-jaren' (1990 en '91) die volgden op de Duitse eenwording deden ook het nodige om de katharsis-situatie te laten ontstaan waarin de economie van de Bondsrepubliek plotseling bleek te zijn beland. De toestand is niet hopeloos, zeggen velen, maar de verbetering moet beginnen in een superverkiezingsjaar, en dat maakt het niet eenvoudiger. Dat de IG Metall als stakingsgebied nu net Nedersaksen heeft gekozen, de deelstaat waar SPD-premier Gerhard Schröder 14 maart in regionale verkiezingen zijn regeringsmeerderheid moet verdedigen, zal wel wat telefoontjes tussen Hannover en het hoofdkwartier van de IG Metall in Frankfurt teweeg hebben gebracht.

Grote (jongere) delen van de Westduitse bevolking zijn in jaren van aanhoudende voorspoed aan een vorm van leven gewend geraakt die hen voorshands hardhorig maakt voor de plotselinge noodsignalen die uit Bonn en hooggelegen directiekamers klinken. Bij de lopende CAO-gevechten, bijvoorbeeld in de metaal en op het terrein van het overheidspersoneel, wordt de situatie nog verder bemoeilijkt doordat de individuele wensen en belangen van mensen zó zijn gaan verschillen (de een wil meer vrije tijd, de ander langer werken voor meer inkomen) dat overkoepelende belangenorganisaties niet zo makkelijk meer greep kunnen houden op hun doelgroepen. Voorts zijn de economische posities van bedrijven binnen één sector in dit recessieklimaat zó dramatisch verschillend geworden, dat wat de één nog vrij gemakkelijk als CAO-compromis kan aanvaarden, voor de ander beslist fataal is. Gevolg, bij werkgevers- én werknemersorganisaties: massaal ledenverlies. Ander gevolg: de noodzaak om spierballen te laten zien in het CAO-gevecht, de rituele verplichting waaraan voldaan moet zijn vóór een compromis kan worden overwogen groeit in betekenis.

Hoezeer al die dingen meetellen blijkt uit een ongewoon openhartig artikel in het jongste nummer van Der Gewerkschafter, het maandblad van de IG Metall. De grootste vakbond van Europa, meldt dat artikel, verliest al sinds twee jaar maandelijks zo'n 18.000 tot 20.000 leden en had er van de 3,6 miljoen per eind '91 op 1 januari van dit jaar nog 3,15 miljoen over. Vooral onder jongeren is de achteruitgang spectaculair, wat voor een deel natuurlijk ook is terug te voeren op de hoge jeugdwerkloosheid. Niettemin: de bond is in nood, moet gaan snoeien op de personeelskosten (mensen ontslaan dus), vakantiehotels verkopen, sparen op publikaties. In de stakingskassen zit nog wel genoeg geld, zegt het artikel, maar dat de laatste reservedijk ook daar in zicht is, lijkt toch vrij zeker.

De CAO-strijd in de Westduitse metaal, die vanavond met een laatste topgesprek om stakingen te vermijden een voorlopig dramatische piek bereikt, laat óók wel zien dat beide partijen met de rug tegen de muur staan en dat weliswaar van elkaar weten en begrijpen, maar zich toch niet anders kunnen gedragen dan zij doen. De Gesamtmetall moet denken aan de werkgevers-leden die wegens hun bijna-faillissement ook op de rand van een bedankje wankelen. De IG Metall moet haar leden iets laten zien, of juister: haar boze leden zelf iets laten demonstreren, om hen, al was het dan maar psychologisch, van het nut van hun lidmaatschap te overtuigen. Een Urabstimmung dus, misschien zelfs stakingen.

De vakbond weet dat veel bedrijven het water praktisch tot de lippen staat. De werkgevers beseffen dat de vakbond absoluut geen reële minlijn van enkele procenten aan zijn leden kan verkopen. De conflictpartners geven elkaar geen knipoog, maar dat zij weten dat zij samen een bepaald kwantum aan ritualiteit moeten zien te regisseren lijkt wel vast te staan. Wat niet betekent, ook deze keer niet, dat de goede afloop verzekerd is. Zeker is deze keer wel dat het geld voor een goede afkoop van de afloop ontbreekt. Zeker is ook dat als de regie faalt, de rest van Duitsland daarvan de gevolgen zal merken. Als die gevolgen ernstig zijn, moet de Bundesbank straks (weer) aan de rem gaan hangen. Dan merkt het buitenland, vooral de buurman in de Europese D-markzone, ook iets.