Moeders angst

Aan de overkant van het dal voor ons huis rijst een berghelling steil omhoog. Op het eerste gezicht lijkt die helling bijna kaal, maar als je goed kijkt zie je dat hij het hele jaar door verandert van kleur.

In het voorjaar zijn er overal gele plekken. Dan bloeit de gaspeldoorn. Later is er veel beige-achtig wit - wilde haver. Gauw zullen de zaadjes wegwaaien maar de lege pluimen blijven nog lang overeind staan. In de tijd dat het regent wordt de helling snel groen van grassen en kruiden, die overal uit de aarde opschieten.

Vaak zie je mensen tegen de helling op klauteren. Ze zoeken naar wilde asperges, naar oregano, of naar kappertjes. Die te plukken is een afschuwelijk werk. Het zijn de kleine bloemknopjes die aan een struik vol scherpe dorens zitten. Hoe voorzichtig je het ook doet, je haalt er altijd je handen aan open.

Langs de berg lopen horizontale lijnen. Dat zijn paden. De meeste zijn heel smal, de helling gaat ernaast bijna loodrecht tientallen meters omlaag. Beneden stroomt de rivier.

Tegenover ons, beneden bij de rivier, is een mooie plek. Er is een klein bos van hoge populieren, waaronder mooi zacht gras groeit. Er zijn een paar weitjes waar soms een witte ezel loopt te grazen. En er staat een wit huis, niet meer dan een ruïne, verborgen tussen oude vlierbomen die overwoekerd zijn door wilde rozen. Vanuit de stad kun je er makkelijk komen langs een goed begaanbaar pad. Alleen het laatste stuk is soms drassig, en je moet er takken van bramen wegduwen. Op zondag komen er hele families de dag doorbrengen. Er kringelt rook op van een vuurtje, iemand speelt op een gitaar en er wordt gezongen.

Natuurlijk is het ook een geliefd plekje voor vrijende paartjes. Ze hebben er geen idee van hoe goed ze vanaf de huizen aan onze kant zijn te zien. Zelfs hun stemmen klinken helder naar ons op door de windstille ijle lucht.

De laatste tijd hebben veel kinderen een mountain bike. Vaak zie ik jongens en meisjes van een jaar of tien daar hoog over een van de horizontale paadjes fietsen. Als het pad om een diepe kloof heen loopt, verdwijnen ze even. Altijd komen ze veel sneller dan ik verwacht weer te voorschijn.

Ik volg ze met mijn verrekijker en hou mijn hart vast. Wat moet ik doen als er een omlaag stort? En dan moet ik denken aan dat roeibootje, dat ik jaren geleden op de Amstel heb gezien. Het was voorbij de Utrechtse brug, richting Ouderkerk, en het wiebelde vervaarlijk op de korte golfjes. Er zaten twee kleine jongens in die met alle kracht die ze in hun spierballen hadden aan de riemen trokken.

Dat bootje had een naam, met sierlijke groene letters was hij erop geschilderd. 'Moeders Angst' heette het.

Ik kijk naar de fietsende kinderen en hoor hun schreeuwende stemmen. En haal opgelucht adem als ze uit het gezicht verdwenen zijn.

    • Els Pelgrom