In een Ossibroek door de Harz; De ontwapenende eerlijkheid van Thomas Rosenlocher

Thomas Rosenlöcher: De herontdekking van het lopen. vert. Ingeborg Lesener en Pim Lukkenaer. Uitg. Prometheus, 156 blz. Prijs ƒ 29,90

In ons taalgebied is Thomas Rosenlöcher zeker niet de bekendste schrijver uit de voormalige DDR. Vooral sinds 1989 zijn de gegroefde, sluwe kop van Stephan Heym, het vermoeide, magere hoofdje van Christoph Hein, de bekommerde blik van Christa Wolf en de sigaar van Heiner Müller een groot aantal lezers van literaire bijlagen niet langer onbekend. Maar wie herkent de baardige man die door een nat Oostduits laantje sjouwt met twee emmers bruinkool? Zijn regenjas heeft hij te hoog dichtgeknoopt en zijn broek... ja, die broek, daar wijdt Thomas Rosenlöcher steeds opnieuw zorgelijke beschouwingen aan, hij is er zich pijnlijk van bewust dat zijn broek zeer zichtbaar een Ossibroek is, vervaardigd in een of ander stoffig volkseigen bedrijf.

Thomas Rosenlöcher werd in 1947 geboren in Dresden. Hij kwam via een omweg tot de literatuur, niet zozeer omdat een hardvochtig regime zijn creatieve aandrang fnuikte, maar omdat hij eerst werkte in de handel en vervolgens bedrijfseconomie studeerde aan de Technische Universiteit van zijn geboortestad. Pas in 1976 ging hij naar het zeer officiële Literaturinstitut 'Johannes R. Becher' (communistisch dichter, eerste minister van cultuur van de DDR) in Leipzig. Hij werkte in het kinder- en jeugdtheater in Dresden, hij schreef en vertaalde gedichten. Hij was uitdrukkelijk géén dissident. Hij was een van die vele DDR-burgers die er het beste van maakten, die hun leven dan toch maar bequem eingerichtet hadden, zoals een inwoonster van Dresden me ooit toevertrouwde. Die burgers waren blij dat in 1989 de oude beknelling wegviel; ze raakten veel sneller dan ze het zelf wilden teleurgesteld door de nieuwe vrijheid.

Met De herontdekking van het lopen verschijnt voor het eerst werk van Thomas Rosenlöcher in Nederlandse vertaling. De titel is bedrieglijk kort. Niet alleen Harzreise: Die Wiederentdeckung des Gehens beim Wandern, maar ook Die verkauften Pflastersteine. Dresdener Tagebuch werd erin opgenomen, het dagboek dat Rosenlöcher bijhield van 8 september 1989 tot 19 maart 1990.

Het dagboek geeft nauwkeurig weer hoe een DDR-burger het einde van 1989 en het einde van zijn land heeft beleefd. Je loopt tussen de tienduizenden demonstranten op straat, je ziet hoe de politieagenten hun oude stoerheid verliezen, hoe langzamerhand de kreten Deutschland - einig - Vaterland (overigens afkomstig uit de nationale hymne van de DDR) de overhand krijgen op Wir bleiben hier en Wir sind das Volk. En je hoort de twijfels van die vreedzaam betogende, tegelijkertijd bange en moedige DDR-burgers: “De dagelijkse jobstijdingen hebben zich verdicht tot een grenzeloos jubelende haat. Ook mij laat de tijdgeest nu merken, dat dit land allang datgene is, wat ik van jaar tot jaar duidelijker zag aankomen en waarvan ik tot op het laatst toch nog dacht dat het te voorkomen was: een failliete boedel.”

In die periode heb ik zelf weken doorgebracht in de oude DDR. Mijn notities uit die tijd komen wonderwel overeen met Rosenlöchers dagboek. Meer dan één Oostduitser kreeg heel snel een afkeer van de volgestouwde Westduitse winkels. Rosenlöcher spreekt over warenhuiswalging. Een huisvrouw met wie ik sprak: “Kopen, kopen, kopen, dat is toch ook niet das Gelbe vom Ei.” Op Honecker heb ik mensen spugend van haat horen vloeken, maar ik heb ook gehoord wat Rosenlöcher schrijft: “(-) per slot van rekening zat hij al in de gevangenis toen onze ouders nog de Hitlergroet brachten.”

Rosenlöcher is ontwapenend eerlijk. Hij ontkent niet dat hij de verklaring tegen Biermann getekend heeft toen die ausgebürgert werd. Hij verbergt zijn lafheid en zijn compromissen niet. Wij in Nederland, in België of West-Duitsland hebben vaak veel te snel, veel te hooghartig en te lichtvaardig ons oordeel klaar - maar wij hebben makkelijk praten; zouden wij minder laf geweest zijn?

Tienduizenden Duitsers hebben na Goethe en Heine een voetreis door de Harz gemaakt, met als hoogtepunt de beklimming van de Brocken. Zolang de grens tussen socialisme en kapitalisme dwars door Duitsland liep, kon je de Brocken niet op. De Russen zaten daar naar het Westen te kijken, het IJzeren Gordijn hing over de hellingen van de Duitse Olympus. Rosenlöcher treedt niet alleen in de voetsporen van zijn grote voorgangers, op zijn tocht door de Harz stapt hij voortdurend van het ene systeem in het andere, van het oude in het nieuwe. Het nieuwe heeft iets onwerkelijks. Westduitsers bewegen zich voort in 'chroomschepen' en roepen in Quedlinburg en Wernigerode: “Wat hebben ze hier met ons Duitsland gedaan!” Een paar keer betaalt hij nog met DDR-marken, ireëel geld, tot grote woede van herbergiers. “Wat was dat biljet al klein geworden. Wat voelde het miezerig aan. En dat terwijl Karl Marx erop stond afgebeeld.”

Niet alleen klopt die opmerking letterlijk - de DDR-bankbiljetten wàren erg klein - maar Rosenlöcher geeft hier in één zinnetje aan hoe zijn land na november 1989 als het ware ineenschrompelde, ook in de ogen van zijn eigen burgers. Alles waarmee ze jaren geleefd hadden leek ineens slecht, vies, onooglijk, goedkoop te zijn. Rosenlöcher komt in het Westduitse stadje Goslar; het is er onwerkelijk netjes: “Het plaveisel was nog maar zelden hobbelig en vertoonde, als het hobbelig was, die hobbeligheid nadrukkelijk. Wat hadden ze hier met ons Duitsland gedaan! Alleen het gras in de spleten was echt.”

Nee, ook het Westduitse model, dat triomfantelijk zijn intrede doet, deugt niet. Ik mis wel een paar voetnoten. Niet iedereen weet dat in Bautzen de meest verafschuwde gevangenis van de DDR stond. En niet iedereen kent de herkomst van alle citaten, ik ook niet trouwens.