Geen winst uit bijklussen hogescholen

ENSCHEDE, 4 MAART. De hogescholen in Nederland verwierven in 1992 meer dan 160 miljoen gulden aan extra inkomsten per jaar met contractonderwijs aan derden en contractonderzoek. Dit is ruim tien procent van het bedrag dat de scholen van de overheid ontvangen.

Met deze externe activiteiten maken de scholen echter nauwelijks 'winst', omdat meestal tegen kostprijs gewerkt wordt. Het doel van de externe activiteiten is verbetering van het reguliere onderwijs.

Dit blijkt uit een onderzoek van het Centrum voor de Studie van het Hoger-onderwijsbeleid (CSHOB) van de Universiteit Twente, in opdracht van ministerie van onderwijs. Het CHSOB baseert zijn conclusie op een uitvoerige enquête onder 36 van de in totaal 78 hogescholen en op gesprekken met ongeveer dertig HBO-bestuurders. Het ministerie en de onderzoekers achten de externe activiteiten van groot belang voor het beroeps- en praktijkgerichte karakter van het HBO.

In het contractonderwijs gaat meestal om na- en bijscholingscursussen voor bedrijven en instellingen, die worden uitgevoerd of gecoördineerd door docenten van de hogeschool. De school heeft hier groot belang bij, omdat de docenten de hierbij opgedane kennis van en ervaring met nieuwe ontwikkelingen in het veld weer kunnen gebruiken in het reguliere onderwijs. Het contractonderzoek wordt meestal in de vorm van afstudeerprojecten uitgevoerd.

De inkomsten uit het contractonderwijs, in 1992 ongeveer 100 miljoen, bedragen 5,6 procent van het bedrag dat de hogescholen per jaar van het ministerie van onderwijs krijgen. Verder constateren de onderzoekers dat bij negentien van de onderzochte hogescholen in totaal voor 60 miljoen gulden per jaar werd omgezet met contractonderzoek. Wegens een te hoge non-respons van de instellingen op dit punt kon dit bedrag niet worden omgerekend worden naar een geschatte omzet van het gehele HBO. Maar die totale derde geldstroom zal in ieder geval boven de 160 miljoen liggen, waardoor ze waarschijnlijk boven de tien procent van de overheidsbekostiging zal uitkomen. Omdat op het onderwijs nauwelijks 'winst' wordt gemaakt, draagt deze extra omzet niet bij tot verbetering van de financiële positie van de scholen.

De hogescholen hebben sinds 1986 de wettelijke mogelijkheid om onderwijs aan anderen dan de eigen leerlingen te verzorgen. In het wetenschappelijk onderwijs bestaat de mogelijkheid tot 'bijverdienen' in opdracht van derden veel langer en halen de universiteiten inmiddels ruim 20 procent van hun inkomsten uit de derde-geldstroom. In 1983 was dat nog ongeveer zes procent. De onderzoekers constateren dat vooral de afgelopen vier jaar de omzet in het HBO flink is toegenomen. De afgelopen jaren heeft het ministerie onderwijs jaarlijks de externe HBO-activiteiten met vijftien à twintig miljoen gulden gesubsidieerd. Deze subsidieregeling wordt dit jaar beëindigd.

Onderwijs buiten de eigen school wordt door 85 procent van de hogescholen ondernomen. Hoe groter de school, des te groter de omvang van het externe onderwijs. Kleinere scholen blijken vaak moeite te hebben om voor het externe onderwijs docenten vrij te maken. Het contractonderzoek is minder wijd verspreid: 59 procent van de hogescholen doet eraan, vooral de grotere. Ook het aantal projecten per school is voor contractonderzoek veel kleiner dan voor het contractonderwijs, 21 tegen 70. De onderzoekers trekken hieruit de conclusie uit dat het contractonderwijs in het HBO “de experimentele fase is gepasseerd”, terwijl het contractonderzoek “duidelijk nog een lange weg te gaan” heeft. De onevenwichtige verdeling geeft de onderzoekers aanleiding te waarschuwen tegen het ontstaan van een 'tweedeling' tussen hogescholen die wel veel externe activiteiten ontplooien en de scholen die dat niet doen. Ook zal er waarschijnlijk een tweedeling in het docentencorps ontstaan bij een verdere ontwikkeling van dit soort activiteiten.

De wijze waarop de scholen deze activiteiten organiseren, verschilt sterk: op sommige scholen wordt de externe cursussen vanuit het centrale bestuur georganiseerd, bij anderen wordt de organisatie toevertrouwd aan een zelfstandige rechtspersonen. Deze laatste 'losgekoppelde' vorm komt steeds minder voor, omdat de koppeling met het reguliere onderwijs daarbij moeilijk te garanderen is.