Een hert op hoge hakjes

Herten zijn erg schuw. Als je geluk hebt, zie je ze heel vroeg in de ochtend of 's avonds als de zon ondergaat, bij de bosrand staan. Het is lastig om ze te ontdekken want herten staan zo stil als bomen. Als je ineens een boom ziet wegsprinten, weet je pas dat je een hert hebt gezien. Maar op een ochtend lag er een hert op het gazon dat niet voor ons wegvluchtte. Het was een pasgeboren ree.

Het ree-kalfje had grote, kastanjebruine ogen met barnsteen-gele stipjes, lange wimpers, een wit staartstuk, potlood-dunne benen en hoefjes als sierlijke hogehak-schoentjes. De jonge ree vond het eng dat we zo dicht bij hem stonden. Hij kwam overeind en maakte een paar wankele sprongetjes om een eindje verderop weer in het gras neer te ploffen. We lieten hem verder met rust en hoopten dat zijn moeder snel zou komen opdraven.

Vanuit het huis kan je het gazon zien en aan het eind van de ochtend zagen we het verlaten ree-kalf nog steeds op dezelfde plek tussen de graspollen liggen. Misschien durfde zijn moeder op klaarlichte dag niet door het open veld te gaan en wachtte ze in het bos tot het donker zou worden. Door de verrekijker tuurden we naar de bosrand waar we alleen maar een stel rondscharrelende kraaien konden ontdekken. Toen hoorden we van de boswachter over het ongeluk. De nacht daarvoor was op de Rijksstraatweg een ree door een auto aangereden. De boswachter had de ree gevonden. Het was een volwassen vrouwtjes-ree. Ze lag dood in de berm.

Het pasgeboren ree-kalfje was intussen nog steeds niet van zijn plaats gekomen. Het zat eenzaam in het gras waar het binnen al te lange tijd van honger zou sterven. Toen hij ons weer zag, bibberde hij van angst en probeerde hij opnieuw weg te lopen maar hij was al te zwak om op zijn poten te staan.

We begrepen wel dat je bij een baby-ree niet met gras, veldgewassen of takken hoeft aan te komen. We openden zijn hertenlipjes en probeerden de speen van een, met warme melk gevulde zuigfles in zijn mond te brengen. Nadat de eerste druppels over zijn tong waren gerold, begon de jonge ree verwoed te zuigen. Nadat hij de fles had leeggedronken, dommelde hij weg.

We tilden het ree-kalfje op en brachten het naar huis. Daarna legden we het in een grote kartonnen doos neer die we in de kamer neerzetten. De eerste weken gaven we de jonge ree om de drie uur de fles. Net als voor een mensenbaby moesten we daarvoor ook 's nachts ons bed uit. Zindelijk was hij natuurlijk ook niet. En keutels draaien, kon hij evenmin. Als je hem op schoot had om hem de fles te geven, zaten je kleren soms ineens onder de dunne reeën-poep. Daarom kochten we papieren luiers. De eerste keer dat de jonge ree zijn luierbroekje droeg, begon hij met zijn gatje tegen een muur te schuren om zich van zijn broek te ontdoen, maar toen dat niet lukte hield hij er mee op. Na korte tijd stribbelde hij niet eens meer tegen als je hem een schone luierbroek aan deed.

Het ree-kalfje groeide goed van de koeiemelk. Op een warme dag zetten we hem zonder luierbroek in de tuin, waarvan we een deel met kippegaas hadden afgerasterd. In het begin was de jonge ree erg bang. Hij schrok van de wind die door de bladeren speelde, van bewegende grassprieten en bewegende schaduwen en zelfs van een vlinder die langs zijn hoofd fladderde. Bij het minste of geringste rende hij weg om pas tot stilstand te komen bij de kippegaas-afrastering.

We waren niet van plan om de ree voor de rest van zijn leven de fles te geven maar hij was of te zenuwachtig of te lui om zelf zijn voedsel te zoeken. Misschien was hij gewoon een verwende, jonge ree want iedere keer als je hem de fles gaf, werd die tevreden door hem leeg gesabbeld. Een tijdlang stonden we nog iedere nacht op om de ree zijn fles te geven tot we op een ochtend ontdekten dat er geknabbeld was aan de boomtakken binnen de afrastering. De ree kwam niettemin aangehold om door ons gevoed te worden.

Het moment brak aan waarop we een deel van de afrastering verwijderden om de jonge ree de kans te geven om zijn soortgenoten op te zoeken. Die nacht zagen we hem door het raam roerloos in het maanlicht staan. Hij stond achter in de tuin naast de hazelaar en het was net of hij ergens op wachtte. Toen we de volgende ochtend in de tuin gingen kijken, was hij weg. Als er nu weer eens een ree bij de bosrand staat die langdurig in onze richting kijkt, zeggen we altijd dat het 'onze' ree is. Maar dat weet je nooit zeker.