Een flesje Zachte Dood; Ick klage an, nazi-film over euthanasie

Ich klage an, t/m 16 maart in Filmmuseum, Vondelpark 3, Amsterdam.

Enige tijd geleden was de actrice Mary Dresselhuys bij Karel van der Graaf en zij mocht zeggen wanneer zij dood wilde.

Daar wordt veel over gepraat, over wanneer men denkt dat men dood zou willen.

Mary Dresselhuys zei: “bijvoorbeeld als ik allebei mijn benen kwijt ben.” Karel keek de dokter aan die ook aan tafel zat, en die dokter zei: “dan ben ik blij, mevrouw Dresselhuys, dat u mijn patiënt niet bent.”

Ik moest aan deze dialoog denken toen ik in het Filmmuseum een film zag die geafficheerd was als een 'euthanasie-film', Ich klage an, waarover Antoinette Polak afgelopen woensdag in deze krant een recensie schreef. Het is, op zijn hoffelijkst gezegd, een curieus geval, deze film. Want wat moeten we met een spannend melodrama waarin alle argumenten contra en vooral pro (vrijwillige) euthanasie keurig op een rijtje worden gezet, terwijl we tegelijkertijd weten dat hij in 1941 is gemaakt? Door een Duitse regisseur? In Duitsland? Terwijl er op dat moment al 80.000 geesteszieken waren vergast?

Het woord euthanasie kon na de oorlog een generatie lang niet gebezigd worden zonder dat er aan het fascisme werd gedacht. Fascisme is immers de ideologie en de praktijk van het uitwissen van improduktieve, zwakke, onzuivere levens. Pas in de jaren zeventig kwam er een debat op gang dat er eind vorig jaar toe heeft geleid dat vrijwillige euthanasie onder bepaalde voorwaarde niet meer strafbaar is. We denken bij het woord euthanasie nu eerder aan gerespecteerde landgenoten als Drion, Chabot en Strikwerda dan aan Goebbels.

En nu kunnen we ineens een drieënvijftig jaar oude speelfilm gaan zien die onze wetgeving om zo te zeggen bepleit, grotendeels op dezelfde liberale, humanistische gronden als die wij kennen - en dat is werkelijk heel vreemd. Het is alsof ons alsnog gevraagd wordt de redelijkheid van de nazi's te heroverwegen omdat ze zulke mooie Autobahnen hebben aangelegd.

Dat is natuurlijk de bedoeling van het Filmmuseum niet geweest toen zij het stof van Ich klage an afblies. Uit het informatieve, heldere boekje van Céline Linssen dat bij de film wordt verspreid, maak ik op dat juist het omgekeerde beoogd wordt. Het Filmmuseum vraagt ons de strekking van de film op face-value te beschouwen, en die strekking te verbinden met onze eigen houding jegens (vrijwillige) euthanasie. Het gaat om een soort oefening in zelfstandigheid. Denk de historische oertekst weg en kijk hoe overtuigend de film is. En word je overtuigd, vraag je dan af hoe fascistisch je bent.

Ich klage an gaat over twee dokters die te maken krijgen met een plotseling ongeneeslijk zieke, jonge vrouw. De ene dokter wil haar leven onder geen beding bekorten, de andere (haar echtgenoot) uiteindelijk wel. Het gaat dus om de dokters; in hen worden we geacht ons in te leven. En de proof of the pudding in een drama als dit is natuurlijk de sterfscène, - wanneer de theorie van het voornemen de praktijk van de daad wordt.

Want ook in de huidige gedachtenwisseling over euthanasie (die niet meer zozeer over strafbaarheid gaat, als wel over: wanneer willen we dood en mogen we daarbij de hulp van een arts inroepen) is het deze finale scène die onze gedachten zou moeten bepalen. Je kunt nog zoveel argumenten pro of contra levensbeëindiging door artsen aanvoeren, het blijft allemaal theorie zo lang je je niet voor wil stellen, zo precies en gedetailleerd mogelijk, hoe het voor één iemand is om een ander iemand hoogstpersoonlijk het laatste spuitje te geven.

Ook wanneer een arts in principe bereid is om de stap van pijn stillen naar daadwerkelijk een leven bekorten te maken, dan weet hij dat er een reusachtig verschil bestaat tussen iemand die, terwijl hij nog gezond is, vraagt om te zijner tijd uit zijn lijden verlost te worden, en diezelfde patiënt wanneer diens dagen werkelijk geteld zijn omdat het lijden is begonnen. Er zijn, geloof ik, maar weinig artsen die iemand die fysiek nog niets mankeert een dodelijke dosis toedienen, want dat zou hulp bij zelfmoord zijn. En ook het ogenblik dat velen vrezen, het verlies van verstand en geheugen, is niet voor heel veel artsen het ogenblik waarop zij met gemak zeggen: nu beëindig ik dit leven, zelfs al heeft hun patiënt er eens om verzocht. Het komt er op neer dat een arts in actie komt wanneer zijn patiënt oog in oog staat met de dood.

De doodswens is dan niet langer een abstractie, zoals in de dialoog bij Karel van der Graaf, maar iets dat het gevolg is van acuut lijden. Niet zelden klampt een patiënt zich dan weer aan het leven vast op een manier die hij, toen hij gezond was, niet voor mogelijk had gehouden. En het dood maken is, begrijp ik, ook voor de meest door de wol geverfde arts, een moeilijk te harden daad. Hij buigt voor een overmacht, en er is niks om trots op te zijn.

Het is precies tijdens deze scène, tijdens de finale metamorfose, dat Ich klage an liegt dat het gedrukt staat. Wat we te zien krijgen is een dood zoals gezonde mensen willen dat hij georganiseerd is - een verheerlijking van de laatste ademtocht. Een goed gespeeld, mooi uitgelicht toneelstuk. De hoofdrolspeelster heeft een gestileerde aanval van haar dodelijke ziekte gehad (ze lijdt aan een snel voortschrijdende vorm van multiple sclerose). Haar echtgenoot, die in voorafgaande scènes een heroïsche, maar vergeefse poging heeft gedaan het anti-serum te vinden, is nu mannelijk en vastberaden. Zijn vriend, de weigerachtige arts, speelt beneden piano, en het is duidelijk: die is laf. Zonder handenwringen overhandigt de echtgenoot het flesje Zachte Dood. Lippen die het drankje tot zich nemen. Meanderende, maar onomkeerbaar aanzwellende pianomuziek. Two-shot van de echtelieden die om beurten 'ich liebe dich' fluisteren. Hij houdt echt van haar, dit weet zij nu, want hij heeft het laatste medicijn verstrekt.

Het is, binnen de vooroorlogse conventie van de film, aangrijpend. Maar het is een verheerlijking, anders kan ik het niet zien. Het voert de pleger van de euthanasie op als een held, en het sterven als een zingeving. We kunnen trots zijn op wat de mens vermag.

En je beseft pas na afloop van de film, die nu eenmaal meeslepend is, dat je het belangrijkste niet hebt gezien. Het was in Ich klage an voortdurend of/of. Of de heroïsche zoektocht naar het anti-serum, met veel glorieuze beelden van Glimmende Apparatuur, of vastberaden levensbeëindiging. Of de vrolijke levenslust van de hoofdrolspeelster, of haar doodswens. Het hele tussengebied van weten dat iemands dagen geteld zijn en proberen desondanks die dagen te vullen met leven, komt niet aan bod. Zodra de hoofdrolspeelster weet hoe erg het met haar is gesteld wil ze ogenblikkelijk alleen maar dood; dat zij heen en weer geslingerd zou kunnen worden tussen vastklampen aan het leven en diepe moedeloosheid; dat deze beweging tussen hoop en vrezen van haar iemand zou kunnen maken die iets betekent, - het komt in deze film domweg niet voor.

Het is alsof de regisseur, Wolfgang Liebeneiner, niet wil dat mensen iets kunnen betekenen, wanneer zij zwakker zijn dan de kerngezonde, daadkrachtige anderen. Natuurlijk pleit ik niet voor creperen en laten creperen, maar de kern van het euthanasie-vraagstuk wordt niet geraakt wanneer een filmer lijdt aan dit onvermogen om aan weerloosheid waarde toe te kennen.

En juist door dit onvermogen is het echt een film van onze tijd. Het is in onze gezondheidscultuur prettiger om na te denken over zelfbeschikking en beschikking over levens, dan over verpleging en verzorging. Het staat ons beter om de dood zacht te noemen, dan om te erkennen dat zij de hardste test is, van de zieke en van de laatste verzorgers.

In Ich klage an gaat ook de 'laffe' dokter uiteindelijk om. Hij heeft net een kinderziekenhuis bezocht. Daar ligt een patiëntje waar hij het leven van gered heeft. Het is idioot geworden, door de complicaties van de hersenvliesontsteking. De ouders van het kind hebben de arts verweten dat hij het heeft laten leven, ofschoon ze hem zelf verzocht hadden het uiterste te doen om het te redden.

De camera zoemt in op het bordje 'kinderafdeling', en de dokter is naar binnen gegaan.

Als hij weer tevoorschijn komt is hij asgrauw.

Het kindje hebben we niet gezien.

De dokter weet nu: levens beëindigen mag, ook van mij.

Hij vraagt aan zijn collega's: “Hoe houden de verpleegsters het hier vol?”

En de collega zegt: “Ach, vrouwen houden van weerloze mensen.”

Het was laatdunkend bedoeld, alsof hij wilde zeggen: ze moeten het ons niet zo moeilijk maken, wij daadkrachtigen hebben belangrijker dingen te doen.

Nogmaals, er is aan deze film niets eigentijds vreemd. Niet durven te kijken en toch willen beschikken; je publiek willen verschonen van het zwakste, en ondertussen je hoofdpersoon de blik van moreel en diep besef, van gekwelde worsteling van binnen, op laten zetten - een film hoeft niet van nu te zijn om toch al drieënvijftig jaar lang actueel te zijn.