De wereld zal nooit een jongensboek worden; Vermenging van genres in Boomsma's tweede roman

Graa Boomsma: Clio's kamer. Uitg. Prometheus, 221 blz. Prijs ƒ 29,90.

Ergens in Graa Boomsma's nieuwe roman Clio's kamer spreekt een geschiedenisleraar tot ons. Het gaat om de lievelingsleraar van een van de twee hoofdpersonen, de negentiende-eeuwse uitvinder Hugo Koch. Hij spreekt over 'de geschiedenis' en 'de waarheid'. “De waarheid,” zegt de leraar, “bestaat uit een ingewikkeld netwerk van elkaar tegensprekende levensverhalen.” Hij verbindt er meteen een opdracht aan: “Iemand moet toch ter sprake brengen wat zo krampachtig verzwegen wordt, een doorzetter dient de gaten te ontdekken in het algemeen verzwegen verhaal.”

Graa Boomsma is een schrijver die dit soort opdrachten graag aanneemt. Om die 'gaten' was het hem immers te doen in zijn vorige roman De laatste tyfoon. Daarin reconstrueerde Boomsma aan de hand van zijn vaders levensverhaal de Nederlandse oorlogsmisdaden in Nederlands-Indië. De vader had lang over zijn deelname aan de politionele acties gezwegen; de zoon gaf hem met terugwerkende kracht een stem. Binnenkort moet Boomsma voor de rechtbank verdedigen dat die stem de waarheid spreekt.

In Clio's kamer is het veel minder duidelijk waar het Boomsma precies om te doen is. Maar in elk geval draait ook deze roman om een zoon die zijn vader een stem geeft. Hugo Koch heeft zonder het te weten bij een joodse prostituée een kind verwekt. Die zoon, geheim agent Bram de Winter, probeert in de roman zijn vaders levensverhaal te achterhalen. Uit persoonlijke noodzaak. De zoon leeft in het jaar 1939: een verwarrende, dreigende tijd, waarin men, als men geen vader heeft, een vader moet uitvinden.

De Winter maakt zich als jood weinig illusies over zijn lot, maar probeert het als geheim agent met de moed der wanhoop een andere wending te geven. Intussen schrijft hij een kasboek vol: op de debetzijde ontrafelt en verzint hij het levensverhaal van zijn vader; op de creditzijde beschrijft en becommentarieert hij de gebeurtenissen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Daarbij liggen de parallellen met 1994 voor het oprapen. “De wereld zal nooit meer een jongensboek worden.”

Wat de beide verhalen gemeen hebben, is geheimzinnigheid. De Winter weet eigenlijk niets van zijn vader, behalve dat hij werkte aan een onduidelijke machine die alle ellende uit de wereld moest bannen. En ook over de geheime anti-Duitse operaties waar De Winter zelf bij betrokken is, wordt hij slechts mondjesmaat voorgelicht. Het enige dat De Winter zeker weet, is dat hij haast moet maken met zijn kasboek. “Ik reconstrueer een verleden en orden een heden dat elk ogenblik in duigen kan vallen.”

Zijn kasboek zal voorgoed een halfprodukt blijven: het eindigt midden in een zin. In het naschrift wordt duidelijk dat Koch bij een geheime operatie is omgekomen. Het dagboek is gevonden door een Venlose kroegbaas, die er niet achter komt wat het is: “Wat is het? Een document, een romantisch vader en zoonverhaal, een onthullend dagboek, een tragisch relaas over een uitvinder, een spionageroman in journaalvorm, de ontboezeming van een hoerenzoon? Verlang van mij geen antwoord.”

Ratjetoe

De kroegbaas geeft de lezer een stem. Want: wat is Clio's kamer eigenlijk? Alle trefwoorden van de kroegbaas zijn van toepassing, maar ook weer niet. De roman is een ratjetoe van genres. Opzettelijk, zo lijkt het. De Winter heeft het ergens over 'de leugen van de fictie'. Eenheid en duidelijkheid zijn verleidelijk maar vals, lijkt De Winter te willen zeggen: “Willen we niet allemaal een verhaal vertellen dat onszelf achtergrond, zin en samenhang geeft?”

Aan die leugen, zou dan de conclusie moeten zijn, wil Boomsma niet meedoen. Wie op een hapklaar 'antwoord' wacht, is bij hem aan het verkeerde adres. Dat zou ook verklaren waarom de roman naast Koch en De Winter zoveel andere half-affe personages telt. Samen vormen ze, zoals de geschiedenisleraar zei, “een ingewikkeld netwerk van elkaar tegensprekende levensverhalen.” Maar dan nog blijven veel vragen onbeantwoord.

Waarom is De Winter zo nadrukkelijk homoseksueel? Wat hebben Willem van Oranje, koningin Wilhelmina en prinses Juliana precies in Clio's kamer te zoeken? En is die onduidelijke machine nou een 'geheimschrijfmachine' of een apparaat dat 'iedereen kan afluisteren?'

Vraagtekens alom, dus. En het zijn vraagtekens die irriteren, niet intrigeren. Clio's kamer lijdt aan het oude misverstand dat je, om te illustreren dat 'de geschiedenis' chaotisch is en 'de waarheid' ingewikkeld, een roman moet schrijven waar geen touw aan vast te knopen is.

Dit irriteert des te meer omdat het aantal grote-woorden in de roman zo hoog is. De 'waarheid' die het 'ingewikkelde netwerk' volgens de geschiedenisleraar zou moeten onthullen, blijft in Clio's kamer steken in enormiteiten als 'de mestvaalt van deze eeuw', Europa als 'stokoude, onverschillige hoer' en de 'openbarstende korst van de menselijke beschaving'. Dat is in 1994 nog steeds allemaal erg waar. Maar een 'verzwegen' waarheid kun je dat moeilijk noemen. Het zijn meer de slogans van het benefietfestival. En dat is mijn grootste bezwaar tegen Clio's kamer: vluchtend voor de leugen van de fictie, omarmt Boomsma de leugen van de retoriek.