De kat schaatst op notedopjes; Thomas Rosenboom papier geworden opera

Thomas Rosenboom: Gewassen vlees. Uitg. Querido, 732 blz. Prijs ƒ 65,-

Gewassen vlees, de nieuwe roman van Thomas Rosenboom, is zonder twijfel het extravagantste boek dat na de oorlog verschenen is. Met zijn 730 dichtbedrukte bladzijden is het niet alleen een van de dikste Nederlandse romans sinds jaren - het zit ook zo boordevol avonturen, intriges en, doorlopende of doodlopende, zijpaden dat je na afloop vrijwel laveloos achterblijft. Daarbij komt dan nog de exuberante en ritmische stijl van het boek. Het zingt en tettert, het rommelt en raast, en het zoemt en sist. En tegelijk is het één van de meest evocatieve boeken die er in tijden zijn uitgekomen. De tekst loopt over van de vergelijkingen en de metaforen. Het boek is in dit opzicht in Nederland nog het best te vergelijken met het werk van Gerrit Komrij. De onverwachte beelden die de wisselende stemmingen van de hoofdpersoon illustreren, buitelen ononderbroken in kinderlijk plezier over elkaar heen, zodat je op den duur niet meer weet waar hij mee bezig was. Gewassen vlees is papier geworden opera.

De hoofdpersoon van het boek, de 37-jarige Friese burgemeesterszoon Willem Augustijn van Donck, is zich van zijn voorliefde voor uitbundige vergelijkingen bewust. “Net als oorlog of olie neigt ook de metafoor ertoe zich in alle richtingen uit te breiden,” weet hij, “(-) steeds meer elementen van het verbeelde bedekkend onder zijn banier, tot uiteindelijk alles een plaats heeft gekregen en is opgegaan in het beeld dat de werkelijkheid dan vervangt.”

En zo gaat het ook in de bizarre geschiedenis die hier wordt gevolgd, een olievlek van metaforen. Van Donck komt tot zijn wijze gedachten wanneer hij 's avonds op een donker plein een paar bedelende kinderen treft. Het is in het midden van de achttiende eeuw. De Republiek heeft zich in verdragen verbonden met Engeland en Oostenrijk maar vanuit het zuiden wordt het land bedreigd door Franse legers. Van Donck vergelijkt de kinderen die hem om een aalmoes vragen met het koren in een molen. De korrels die naast de machine vallen, zo is zijn redenering, worden vuil en ze worden vertrapt, maar ze zijn in wezen niet anders dan de korrels die tot meel worden verwerkt. Het is de plaats, aldus Van Donck, die de waarde van iets bepaalt. Zoals de molenaar moet zorgen dat de graankorrels ergens terechtkomen waar ze van waarde zijn, zo moet een land aan de behoeftige bevolking de gelegenheid geven om zich nuttig te maken.

Suikerfabriek

In de loop van het verhaal werkt de onhandige burgemeesterszoon aan twee pogingen mee om voor de vele behoeftigen die het land telt zo'n gelegenheid te creëren. Samen met zijn oude vader probeert hij locale geldschieters te interesseren in een veenkolonie met een suikerfabriek. En later, in het verre Bergen op Zoom, dat kort tevoren verwoest is door de Fransen, helpt hij bij de uitgifte van aandelen voor zo'n fabriek.

Suiker, de witte bietsuiker die in deze tijd in Nederland zijn intrede doet, ligt als glazuur over de meeste hoofdstukken van het boek. Van Donck denkt het geheim te bezitten van een nieuw raffinage-procédé dat het glinsterende witte goedje, 'witter dan sneeuw', uit bieten haalt en hij wil wat met deze vinding doen. De fabricage van de suiker is voor hem echter slechts een bijzaak. Als veel van zijn tijdgenoten is Van Donck in de ban van het opkomende materialisme, hij verdiept zich in de 'chemurgie', en de geraffineerde suiker is voor hem een soort tovermiddel.

De zoetstof wordt het symbool voor alles wat zuiver is. Het werkt verstevigend en verhelderend op lichaam en geest. Na één hap van het 'purgeermiddel van de ziel', zo meent hij, is het alsof er in je mond 'een lamp wordt aangestoken'. Bietsuiker als coke, als de XTC van de achttiende eeuw.

Gewassen vlees is, zoals de schrijver vorige maand in een interview in deze krant aangaf, goed gedocumenteerd. Rosenboom, die in dit opzicht past in het rijtje Hella Haasse, Nelleke Noordervliet, P.F. Thomése, A. Alberts, en Margriet de Moor, heeft zich op bewonderenswaardige manier in het dagelijks leven in de achttiende eeuw ingewerkt. Maar door zijn taalgebruik gaat hij aanzienlijk verder dan de andere historische romanciers. Rosenboom roept de achttiende eeuw niet alleen op door beelden en beschrijvingen. Hij hanteert ook de woorden uit die tijd en de naïeve en scabreuze toon die toen in de mode was, met inbegrip van alle opwinding over 'vapeurs' en 'kippekuren'.

Een van de meest schrijnende voorbeelden van het achttiende-eeuwse wereldbeeld is de beschrijving van het 'negertje' Bongo. Het mannetje (de man?) wordt in het boek voorgesteld als een huisdier. Hij loopt aan een lijntje, mag, als het volk onrustig wordt, op zijn trommeltje trommelen, en als hij dood gaat, wordt hij door zijn bedroefde eigenaar opgezet.

Precisie

Over de literaire kwaliteiten van een boek zegt een dergelijke precisie uiteraard nog niets. Er zijn in de achttiende eeuw zelf genoeg boeken geschreven die historisch gezien zeker zo exact zullen zijn, maar die we door hun kinderlijke humor en hun traagheid nu ongelezen laten. Maar door de exuberantie die ik in het begin van deze recensie beschreef, is Gewassen Vlees hier niet mee te vergelijken. De toegankelijkheid van het boek laat hier en daar wel wat te wensen over - het mist de vlotheid van Mulisch' De ontdekking van de hemel - maar dat wordt meer dan goed gemaakt door de rijkdom aan beelden en zinnen.

Daar komt bij dat het boek, net als bijvoorbeeld de Max Havelaar, een groot aantal genres combineert. Het getuigt op deze manier van een buitengewone vitaliteit. Rosenboom vervalt nooit in routine. Sommige hoofdstukken zijn beschrijvend van aard, sommige commentariërend, sommige zijn opgebouwd uit brieven, er zijn historische verhandelingen over de internationale situatie en er zijn kluchtige gedeelten. En voor alles wordt een nieuw register gevonden. Op deze manier dwingt Rosenboom de lezer om in de minst toegankelijke gedeelten door te blijven lezen, totdat in het derde en laatste deel vele lijnen die zijn uitgezet weer samenkomen en er zoveel vaart in de roman komt dat je niet meer met lezen stoppen kan.

Een apart woord verdient nog de proloog. Deze bestaat uit een prachtige, en bij uitzondering zeer ingehouden beschrijving van een schaatstocht. De scène is (net als bijvoorbeeld in De honden jagen niet meer van A. Alberts) slechts zeer zijdeling met de rest van het boek verbonden. Maar wat er in staat blijft je het hele boek bij. Een paar schaatsers vertrekken voor een tocht over de dichtgevroren Zuiderzee, maar een van de schaatsers is een buitenstaander, die later achterblijft. Deze achterblijver heeft zelf echter ook weer een achterblijver bij zich: een kat met notedopjes onder zijn poten die midden op het ijs uit zijn rugzak wordt gehaald en door de wind over het ijs wordt gesleept.

Het is een beeld van grote eenzaamheid, de schaatser die de groep verliest, en verderop de kat die over het ijs het onbekende tegemoet zeilt. “Zich handhaven wil ieder wezen,” zegt een van de schaatsers, “daartoe verbindt zijn natuur zich aan die om hem heen; maar wordt deze laatste nu door kunst gewijzigd, dan zal de innerlijke natuur niet meer het behoud vinden maar, al zoekende, juist het tegendeel.”

Je vraagt je af hoe een achttiende-eeuwer dit zou lezen. Misschien lacht hij zich wel dood om de besognes die Rosenboom hem toeschrijft. Maar voor ons, in onze eeuw, is het indrukwekkend wat hier is volbracht.

UIT: THOMAS ROSENBOOM, GEWASSEN VLEES

Om goed over de paarden vlak voor hem te kunnen heen kijken rekte hij zijn zeer lange lichaam nog verder uit. Het plein was een kookpot vol kolkende kracht, een ketel herrie en paardezweet op een smeulend vuur, een tamboerstrommel waarop de magistraat met alle klepels van het carillon zijn vreugde bleef slaan, maar allengs doorgrondde Willem Augustijn toch de figuur die zich in de wemel van rijtuigen voltrok. Ze stonden opgesteld in verschillende cirkels, de buitenste aan gedrukt tegen de huizen rond het plein, en drongen allemaal op naar de ingang van het paleis achteraan, waar zij onder de gestreepte pergola hun passagiers uitlieten. Zodra die plaats vrijkwam kon een van de cirkels een enkel tandje verspringen, maar heel het raderwerk kraakte dan onder de klap: de paarden, opgewonden door de drukte, schichtig ook van het zwalpende licht hoog aan het Hof, zetten telkens zo hevig aan dat de koetsen ervan schommelden, de lamoenen krom bogen en de lampen wild heen en weer zwaaiden, en zij waren nauwelijks nog in toom te houden als er ergens een beweging ontstond.

    • Reinjan Mulder