Cavia's voor historische experimenten; W.F. Wertheims hardnekkige verdediging van Mao's China

In de jaren zeventig kon men vaak horen dat Mao misschien wel de mensenrechten schond, maar er in ieder geval wel in geslaagd was alle Chinezen te voeden. Dit laatste is allang een sprookje gebleken, maar W.F. Wertheim gebruikt in zijn onlangs verschenen boek 'China om de zeven jaar' de ouderwetse rechtvaardiging voor de gruwelen in China nog steeds. “Wat uit al dat liegen en draaien blijkt is dat er onmogelijk sprake kan zijn van onschuld; Wertheim is niet een bedrogene maar een bedrieger.”

Wim F. Wertheim: China om de zeven jaar Studiereizen naar het aardse rijk. Uitgeverij EPO, Berchem 1993. Wei Jingsheng: 'Genoeg! de vijfde modernisering: democratie'. In: Un bol de nids d'hirondelles ne fait pas le printemps de Pékin. Bibliothèque asiatique 51, Chr. Bourgois, Parijs 1980.

Een van de spookbeelden uit de tijd van de Culturele Revolutie in China: de '7 mei-kaderscholen'. Er zijn later aangrijpende getuigenissen over verschenen waarin de uitverkorenen - meest hoogleraren, artsen, studenten, schrijvers, kunstenaars - die er heen werden gestuurd beschrijven hoe zij soms met de dood in het hart tegenover de buitenwereld moesten volhouden dat het zo'n waardevolle en leerzame episode in hun leven was.

De laatste publicatie van W.F. Wertheim, China om de zeven jaar, moet wel het enige recente boek ter wereld zijn waarin deze 7 mei-kaderscholen nog in volle ernst worden aangeprezen, ondersteund door getuigenissen van de dankbaarheid waarmee de Chinezen zich in die periode naar het platteland lieten verbannen. Zelf heeft Wertheim tijdens zijn bezoek aan China in 1971 tot zijn spijt geen 7 Mei-kaderscholen te zien kunnen krijgen; hij weet wel dat deze in het Westen graag als strafkampen werden afgeschilderd, 'maar wij kregen eerder de indruk dat Mao deze vorm van herscholing vooral had ingevoerd om de intellectuelen en de kaders die voortdurend blootstonden aan de aanvallen van de Rode Gardisten en andere rebellen, een tijd lang de kans te geven om in de luwte tot beter maatschappelijk inzicht te komen, om daarna als een herboren mens in de samenleving te kunnen terugkeren en er hun oude functie weer op te kunnen nemen. (-) Op den duur gingen deze '7 mei-kaderscholen' voor de grote meerderheid van de kaders een normale routine vormen, zo eens in de paar jaar. Onze tolken hadden allebei zo'n periode van herscholing in een '7 mei- kaderschool' meegemaakt, en keken er volgens hun zeggen met voldoening op terug. Zij hoopten er spoedig opnieuw naartoe gezonden te worden!'

Er zijn maar twee motieven denkbaar om zulke uitspraken ruim twintig jaar later nog op te nemen in een boek over China: 1. om rekenschap af te leggen van vroegere dwalingen; 2. om te bevestigen dat men niet van opinie is veranderd.

De eerste veronderstelling is niet van toepassing: het boek is een bewuste of zelfs uitdagende poging het gelijk van de vroegere opvattingen aan te tonen, tegen een evidentie in die op het moment zelf al beschikbaar was en in de loop van twintig jaar is uitgegroeid tot een dementi zo torenhoog en verpletterend, dat het boek het karakter krijgt van een klucht, een komisch nummer van onbedoelde zwarte humor.

Ook aan de methoden die Wertheim gebruikt om tegen deze evidentie in te gaan is in die twintig jaar niets veranderd: het verdacht maken van tegenstanders van het regime, het glashard ontkennen van verifieerbare feiten, het citeren van bronnen die al lang weerlegd zijn, van 'experts' die al jaren geleden in discrediet zijn geraakt of zich herroepen hebben, het vervalsen of systematisch verzwijgen van gegevens - kortom het bekende arsenaal van leugen, bedrog, laster en dissimulatie waarmee de Partij altijd op kritiek gereageerd heeft, en die nu juist het mechanisme vormt dat verantwoordelijk is voor het tragische débâcle van het communisme overal ter wereld.

Genoeg eten

Een van de ongelofelijkste passages in het boek wordt gevormd door de bladzijden gewijd aan de sinoloog Simon Leys/Pierre Rijckmans, wiens inzichten zoals bekend over de hele linie juist zijn gebleken en wiens Ombres chinoises (Chinese schimmen, 1974) de stoot heeft gegeven tot een nieuwe, ontnuchterde visie op het Maoïstische regime. Wat Wertheim bewogen kan hebben om zijn uit 1975 daterende en volkomen door de gebeurtenissen weerlegde beoordeling van Ombres chinoises in dit boek opnieuw ten beste te geven is niet te begrijpen: in plaats van door de feiten gelogenstraft te worden, zoals Wertheims eigen publicaties, werd de juistheid van Simon Leys' inzichten bij iedere nieuwe onthulling over de toestanden in China alleen maar verder bevestigd. Een van Wertheims meest zonderlinge (en gênante) uitvallen is zijn verwijt - analoog aan de Nederlandse Maoïsten over wie ik het op deze plaats eerder had en die in hun doctrinaire ijver protesteerden tegen het feit dat mensen die in China geëxecuteerd werden in Nederlandse publicaties 'slachtoffers' werden genoemd - dat Simon Leys gewaagt van 'het China dat lijdt'.

China lijdt niet, vindt Wertheim. Hij geeft waar het zo uitkomt wel toe dat er 'natuurlijk fouten zijn gemaakt' en had het onlangs in de Telegraaf nog over 'zo'n drie à vier miljoen van wie het leven (door de Culturele Revolutie) permanent beschadigd is' (nou ja: volgens de Chinese journalist Liu Binyan waren het er 100 miljoen, dat wil zeggen één op de tien Chinezen), maar lijden, nee, dat doet China niet: er is nu immers genoeg te eten.

Deze redenering, die in wezen op precies dezelfde gedachtengang berust als de bekende koloniale slogan dat 'de inlander tevreden was met een kwartje per dag', is de ruggegraat van Wertheims standpunt over China. Hij waarschuwt keer op keer dat de verhoudingen daar heel anders zijn, dat wij de situatie daar niet door 'Westerse ogen' mogen bekijken, en dan volgt altijd het argument dat de Chinezen allang blij zijn omdat zij voor het eerst in de geschiedenis geen honger meer lijden. Zo ook hier: wat Wertheim Simon Leys kwalijk neemt is dat hij in Ombres chinoises 'met geen woord vermeldt dat het regime van Mao er in geslaagd is in een Aziatisch land met op 't ogenblik meer dan 800 miljoen inwoners dat v==r 1949 onder de verschrikkelijkste massale armoede en ellende te lijden had, de honger volkomen uit te bannen en voor praktisch iedereen een bestaanszekerheid te scheppen.'

De kwestie is dat dit in het begin inderdaad een soort geloofsartikel is geweest; het werd aanvankelijk door talloze mensen (ook door mij) in goede trouw geloofd, en het heeft het Chinese regime jarenlang een alibi verschaft voor allerlei maatregelen die anders bij dezelfde mensen ongetwijfeld hevige verontwaardiging zouden hebben gewekt. Wertheim tracht zijn failliete winkel nog steeds met deze toverformule te redden; in dit boek maakt hij het tot een credo waar hij telkens op terugkomt, zoals ook in dat interview in de Telegraaf van 22 januari: 'Ik vind nog steeds dat het communisme de enige bewezen manier is om een einde te maken aan de honger. De schrijfster [Jung Chang] begrijpt dat niet. Er zijn natuurlijk wel geweldige fouten gemaakt, maar ik ben het niet eens met haar analyse. Voor mij is het belangrijkste mensenrecht, geen honger te lijden. En al die andere mensenrechten waar men het tegenwoordig over heeft zijn minder belangrijk.'

De brandende principe-vraag is dan natuurlijk of het ook noodzakelijk is al die andere mensenrechten te schenden om een einde te maken aan de honger - maar die vraag komt hier niet eens aan de orde, want het Maoïsme is daar helemaal niet in geslaagd. Dat is gewoon een sprookje; het tragische is dat de wereld zo lang geloofd heeft dat het Chinese communisme dat 'dan toch maar' was gelukt. Maar integendeel, het enige dat het Maoïsme 'dan toch maar' is gelukt is het veroorzaken, met de Grote Sprong Voorwaarts, van de grootste hongersnood die zich ooit in de geschiedenis van China heeft voorgedaan - dat, en de opmerkelijke prestatie om dit zo lang voor de wereld verborgen te houden.

De Gulag of de kogel

Wat dat mogelijk heeft gemaakt is wat ik al heb aangeduid: de diepgewortelde wens om te geloven dat er tenminste ergens op deze boze wereld een geheime enclave van eerlijkheid en menselijkheid moest bestaan, waar de mensen nog gelukkig konden zijn met simpele dingen; dus waarom niet in het 'verre China', 'waar de mensen zo anders zijn dan wij'. Dat, plus het cynische communistische recept om daar munt uit te slaan en iedereen die het in twijfel trekt te belasteren en voor koude-oorlogspropagandist uit te maken (niet in China zelf natuurlijk: daar wachtte zo iemand de Gulag of de kogel).

Dat recept is Wertheims intellectuele horizon gebleven tot op de huidige dag. Hij denkt dat het nog steeds mogelijk is de mensen op die manier te bedriegen en te intimideren, en hij doet eenvoudig of die hongersnood nooit bestaan heeft. It never happened.

Van China om de zeven jaar, heb ik tot dusver maar één bespreking gezien: door Daan Bronkhorst in De Volkskrant, onder de titel 'Wertheim en het dubieuze gelijk van links'. 'Het afschuwelijkste wapenfeit van de Chinese 'revolutie',' schrijft Bronkhorst, 'laat Wertheim in zijn conclusie omvermeld. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts (1958-1962) zijn blijkens de volkstellingen tussen de zestien en 29 miljoen mensen 'verdwenen'. De slachtoffers van de Grote Sprong kwamen niet om door natuurrampen, kapitalisme, burgeroorlog of revolutie. Ze verhongerden doordat een almachtige staat, belichaamd door voorzitter Mao, gruwelijke economische beslissingen nam, die door niemand mochten worden tegengesproken.'

Dat is perfect samengevat; vooral het laatste is essentieel: dat wat zulke weergaloze catastrofes mogelijk maakte is dat iedereen die er iets tegenin durfde te brengen tot volksvijand verklaard en geliquideerd werd. Zo verging het Peng Dehuai, Mao's minister van defensie, die de Grote Roerganger probeerde te waarschuwen dat de bevolking honger leed: langdurig mishandeld in de gevangenis en doodgehongerd. President Liu Shaoqi: zelfde recept, bovendien voor alle zekerheid ook maar toegepast op leden van zijn naaste familie.

Officieel heette de voedselproductie te zijn gestegen, ja zelfs in één jaar verdubbeld, en wee degene die het in zijn hoofd haalde dat tegen te spreken. Hoe dat op het platteland toeging kan men lezen bij Jung Chang, door Wertheim smalend uitgemaakt voor een stadsjuffertje dat van de situatie op het platteland geen idee had; Wertheim beroept zich liever op de 'landbouwspecialist en China-kenner William Hinton', die aankomt met de fantastische theorie dat het 'juist de tegenstanders van Mao kunnen zijn geweest die de zwaar overdreven cijfers lieten publiceren', dan in te gaan op de beschrijvingen van Jung Chang en anderen hoe boeren die weigerden mee te doen aan het opblazen van de oogstcijfers werden mishandeld en doodgeslagen.

Luguber

Wat niet in Wertheims kraam te pas komt noemt hij eenvoudig niet. Geen woord over Prisoner of Mao, het onthullende boek van Jean Pasqualini; de recente BBC-film over Mao wilde hij niet eens zien. Altijd en overal verzwijgt hij de essentie: dat waarschuwingen en kritiek met geweld werden onderdrukt. En zo kon niets verhinderen dat miljoenen mensen crepeerden voordat Mao het eindelijk welletjes vond; niet overigens dat hij ooit enig blijk van spijt of bekommernis heeft gegeven, en officieel waren er trouwens helemaal geen hongersnoden geweest, precies zoals Wertheim het nu nog steeds tracht voor te stellen.

Een van de meest lugubere aspecten van Wertheims boek is te zien hoe hij dat doet. De Grote Sprong Voorwaarts noemt hij wel, en dat daarbij 'soms fouten werden gemaakt' wil hij een enkele keer ook wel toegeven, maar miljoenen doden? Welnee, dat is antimaoïstische laster. Het doortrapte is dat hij dan altijd probeert deze cijfers eerst in een heel ander verband onder te brengen om ze vervolgens absurd te noemen: 'Die tientallen miljoenen doden, dat is contrapropaganda, daar moet je geen woord van geloven. Het hoogste aantal doden is 35.000.' Dat is alsof iemand zou zeggen: 'al die duizenden verkeersslachtoffers, dat is alleen maar contrapropaganda van het CBS en de Kuomintang. Er komen jaarlijks niet meer dan enkele tientallen mensen door treinongelukken om het leven.' Die 35.000 doden van Wertheim slaan namelijk op de Culturele Revolutie (en dat is dan zelf ook weer een vertekening); bij die tientallen miljoenen daarentegen gaat het om de slachtoffers van de Grote Sprong, en dat is wat hij op deze manier tracht te verhullen. Er mag geen verband worden gelegd tussen communisme en honger.

Op bladzijde 325 doet hij het weer anders, daar verwijst hij naar 'een ruwe schatting van de toen al sinds tientallen jaren in China gevestigde Nieuw-Zeelander Rewi Alley: in de gehele periode 1927-1949 zouden zo'n 50 miljoen mensen zijn omgekomen, maar grotendeels door politieke executies en uitroeiingscampagnes vanwege de door Chiang Kaishek beheerste Kuomintang tegen communisten, en vanaf 1947 als gevolg van de na de Japanse nederlaag opnieuw opgelaaide burgeroorlog.' Maar het gaat helemaal niet om de periode 1927-49, dat cijfer van 50 miljoen is afkomstig van de 'toen al sinds tientallen jaren in China gevestigde' pater L. La Dany en het is de op één na hoogste raming van het aantal slachtoffers van de hongersnoden tussen '59 en '62. (De hoogste is 60 miljoen; de nu meest gangbare schatting, ook genoemd door Jung Chang, is 45 miljoen).

Wat uit al dat liegen en draaien blijkt is dat er onmogelijk sprake kan zijn van onschuld; Wertheim is niet een bedrogene maar een bedrieger. Op bladzijde 326 geeft hij zogenaamd een overzicht van de beschuldigingen van massamoord die tegen Maoïstisch China zijn ingebracht: eerst de zuiveringen van '49-'52 en de strafkampen, en dan vervolgt hij: 'Een tweede periode in de geschiedenis van de Chinese Volksrepubliek waarover een beeldvorming ontstaat alsof ze wel een miljoen slachtoffers of meer heeft gekost, is de Culturele Revolutie, van 1966 tot 1976.'

En tussen die twee periodes? Daartussen was dus niets. Geen Grote Sprong Voorwaarts met miljoenen doden. It never happened.

Gaskamers

Er manifesteren zich van tijd tot tijd mensen die beweren dat de gaskamers nooit bestaan hebben. Zo iemand is bijvoorbeeld de Franse professor Robert Faurisson, die ook beweerd heeft dat het dagboek van Anne Frank een vervalsing is. Het gevolg was een storm van reacties; zijn colleges werden geboycot, zijn publicaties werden uit de boekhandels geweerd, er werden manifestaties tegen hem georganiseerd, de Anne Frankstichting heeft hem een proces aangedaan.

Wertheim doet precies hetzelfde als Faurisson en er gebeurt niets. Hij ontkent de genocide van zes of zeven maal zoveel mensen als zijn Franse collega, hij herhaalt dat decennia lang, hij ramt het er nog eens in met een boek van 341 bladzijden vol aantoonbare leugens, hij geeft interviews waarin hij die leugens nog eens op agressieve wijze belijdt - en niemand reageert, het boek veroorzaakt bij zijn vakgenoten blijkbaar geen enkele emotie en professor Wertheim blijft een gerespecteerd lid van de academische gemeenschap. Er bestaat tegenwoordig zelfs een Wertheim Lezing: 'The Post-Graduate Centre for Asian Studies in Amsterdam (CASA) has established the Wertheim Lecture Series in recognition of W.F. Wertheim's major contributions to the European tradition of historical-sociological research on modern Asia (-) A recurrent concern in CASA publications is the integration of intellectual rigour with compassion and social concern.'

Wertheims meest spectaculaire voorbeeld van intellectual rigour geïntegreerd met compassion and social concern is het reduceren van tientallen miljoenen doden tot 35.000 en dat dan nog eens tot niets. Aan het eind van het boek, op bladzijde 327, ontziet hij zich niet om aan te komen met het argument dat het allemaal ook eigenlijk niets uitmaakt: zelfs die 35.000 doden zijn natuurlijk betreurenswaardig, maar, schrijft hij, 'toch doen we er goed aan bij zulk een cijfer rekening te houden met de geweldige omvang van het Chinese rijk, en met het bevolkingsaantal dat nog boven dat van heel Europa uitstijgt.'

Wat hier openlijk wordt uitgesproken is de discriminatie waar het hele Wertheimianisme op berust: Aziaten zijn voor hem een soort cavia's, waar in alle gemoedsrust mee mag worden geëxperimenteerd en 'historische processen' op mogen worden uitgeprobeerd, aan een boom zo volgeladen mist men vijf zes pruimpjes niet. 'Die mensen zijn heel anders dan wij', 'we moeten ervoor waken China door een westerse bril te zien'. Waar het in feite op neer komt is dat hij, net als Mao, bereid is de levens van miljoenen Chinezen te reduceren tot niets, weg te blazen als een veertje, om vol te kunnen houden dat 'het communisme de enige bewezen manier is om een einde te maken aan de honger.'

Kinderen te koop

Iemand die deze gedachtengang duidelijk onderkende was de Chinese dissident Wei Jingsheng. Hij achtervolgde het regime met evidentie van het tegendeel. In dezelfde tijd dat Wertheim in het tijdschrift Wending verkondigde: 'in China sterft geen mens meer van de honger', beschreef Wei Jingsheng hoe hij in Peking bij de Zhongnanhai-poort zag hoe een vrouw uit de provincie haar kinderen te koop aanbiedt omdat zij daar van de honger sterven. 'Zij is afkomstig uit Heilongjiang. Een man zegt, dat is niets bijzonders, ik kom net van het eerste Ministerie van de Mechanische Industrie en daar zit ook een vrouw die haar kinderen te koop aanbiedt. Een vrouw van middelbare leeftijd voegt er aan toe: op het platteland is dat nog veel frequenter.' Dat was meer dan tien jaar na de Grote Sprong.

In de publicaties van Wertheim zal men de naam van Wei Jingsheng vergeefs zoeken. Chinese dissidenten worden, net als slachtoffers van hongersnoden, door Wertheim doodgezwegen; maar soms lijkt het of Wei Jingsheng hem rechtstreeks antwoordt: '... De propagandaorganen van de de proletarische dictatuur roepen: 'In onze maatschappij hebben we tenminste het vraagstuk van de honger opgelost.' Is dat waar? Het zou beter zijn om de donkere zijde van het socialisme, de mensen die bedelen op de straathoeken in de dorpen en steden, deze vraag te laten beantwoorden; haar te laten beantwoorden door de miljoenen arbeiders en boeren die op de rand van het bedelaarschap staan en daar op ieder moment toe gereduceerd kunnen worden. Zij die de reet van Mao Zedong likken komen bij ons van een koude kermis thuis. Er is in China geen markt voor deze leugens. Alleen buitenlanders die niets afweten van de realiteit laten zich nog in de luren leggen. Zulke kontlikkers stellen zich voor dat alle Chinezen varkens of honden zijn: het is voldoende ze een hap eten te geven en ze kwispelen met hun staart. Maar intussen zijn twintig of meer miljoen landgenoten zogenaamd gestorven 'door natuurlijke catastrofes'. Zelfs als men die tot varkens of honden reduceert, moeten wij dan kwispelen omdat zij zijn gestorven van honger?'

Uiteraard kwam Wei Jingsheng in de gevangenis, waaruit hij pas kortgeleden onder druk van instellingen als Asia Watch en Amnesty International is vrijgelaten. Een idee: als hij eens door het Centre for Asian Studies in Amsterdam werd uitgenodigd om de volgende Wertheim Lecture te komen houden?