Bedrijfsarts en huisarts hebben veel gemeen

In NRC Handelsblad van 18 februari uit huisarts Haan de vrees dat door de komst van bedrijvenpoliklinieken de 'gezondheidszorg voor iedereen' onder druk komt te staan. Zieke werknemers zouden eerder worden behandeld dan andere patiënten.

Wij delen de bezorgdheid van Haan. Gelijkheid en solidariteit zijn inderdaad belangrijke ethische aspecten in onze gezondheidszorg. Gezondheidszorg dient voor iedereen toegankelijk te zijn en te blijven. Het nieuwe fenomeen van de bedrijfspolikliniek doet daar geen afbreuk aan. Om te beginnen zetten bedrijven die poliklinieken niet zelf op en er werken geen artsen die hun opdrachtgevers naar de mond praten. De bedrijfsarts heeft net als de huisarts een duidelijke eigen identiteit en speelt in zijn dienstverlening een onafhankelijke, actieve rol. De bedrijfsarts gebruikt zijn medische kennis in combinatie met kennis van het bedrijf en de mensen die er werken. Ook de bedrijfsarts staat in een vertrouwensrelatie tot de werknemer/ patiënt. Het is jammer dat Haan geen vertrouwen heeft in de curatieve en diagnostische bekwaamheden van zijn collega's-bedrijfsartsen.

Waar gaat het om? De dienstverlening van de bedrijfsarts is preventief gericht. Het nut van verwijzing moet in alle gevallen aantoonbaar blijven. Daarom kan een bedrijfsarts slechts verwijzen op strikt medische indicatie of beoordeling van arbeidsongeschiktheid. De opmerking van Haan dat zieke werknemers met voorrang behandeld worden en er een sterke toeloop op de bedrijvenpolikliniek gaat ontstaan, waardoor andere patiënten van noodzakelijke medische zorg verstoken blijven lijkt niet door feiten te staven.

De gezondheidszorg in Nederland staat voor ingrijpende veranderingen. Vanaf 1998 zullen alle werknemers in Nederland met bedrijfsgezondheidszorg geconfronteerd worden via de wettelijke plicht van werkgevers om zich aan te sluiten bij een arbodienst. De invloed van bedrijfsgezondheidszorg op de ontwikkeling van de algehele gezondheidszorg zal dan ook flink toenemen. De nieuwe Wet Terugdringing Ziekteverzuim (WTZ) legt de financiële gevolgen voor het verzuim van werknemers tijdens de eerste zes weken volledig bij de werkgever. Maar in geval van ziekte is een zo spoedig mogelijke terugkeer echter beslist niet alleen in het belang van de werkgever. De werknemer is hier evenzeer bij gebaat. Wanneer een klacht van een werknemer een diagnostisch probleem is, dan kan snelle specialistische diagnostiek voor alle partijen voordelen opleveren. Immers, het vangnet waar in het recente verleden velen met ziekte of gebrek gebruik van konden maken is zo goed als verdwenen. Aangezien een groot deel van de zieke werknemers die langer dan zes weken verzuimen, niet meer aan het werk komt, is snelle diagnostiek niet een pepmiddel om verzuim terug te dringen maar een absolute, bittere noodzaak.

Haan had beter het belang van samenwerking tussen huisartsen en bedrijfsartsen kunnen beklemtonen. De bedrijfsarts wordt evenals de huisarts vaak geconfronteerd met orthopedische en psychische problemen. In voorkomende gevallen zal de bedrijfsarts dan ook niet nalaten contact met de huisarts op te nemen met het oog op een constructief overleg. De bedrijfsarts zal - in tegenstelling tot wat Haan daarover oppert - nooit in opdracht van de werkgever een werknemer rechtstreeks naar de specialist verwijzen. Verwijzing gebeurt alleen na uitdrukkelijke toestemming van betrokkene. Van de medicalisering die Haan verwacht is dan ook geen sprake.

    • P. Verstraten
    • A. Weel