Arafat heeft lot van de vrede in handen

Welke gevolgen kan de bloedige aanslag van vorige week bij Hebron hebben voor de vredesonderhandelingen tussen Israel en de PLO? Deze bijdrage is van Ronny Naftaniel, directeur van het CIDI, de tweede van Leila Jaffar, voorzitter van de Joods Palestijnse Dialoog.

Met zijn weerzinwekkende aanslag op biddende Palestijnen in de grot van Makpela wilde de joodse kolonist Baruch Goldstein het vredesproces tussen Israel en de PLO aan flarden schieten. Ondanks het afbreken van de onderhandelingen is het te vroeg om te beoordelen of hij postuum in die opzet is geslaagd. Er bestaan voor alle partijen in het Midden-Oosten nog steeds voldoende redenen om met elkaar door te gaan en voor de Palestijnen zijn er zelfs nieuwe bijgekomen.

Dat de PLO-top in Tunis desondanks onrealistische voorwaarden stelt voor de voortzetting van de besprekingen met Israel vloeit voort uit de woede van de Palestijnen in de bezette gebieden. Herhaaldelijk hebben zij gewaarschuwd voor mogelijke acties van extremistische kolonisten van de Kachpartij en zijn concurrent Kahane Chai. Bovendien zijn ze gefrustreerd over het uitblijven van enige verbetering van hun levensomstandigheden sedert de hoopvolle handdruk tussen Rabin en Arafat op 13 september vorig jaar in Washington. Arafat moet deze gevoelens serieus nemen, wil hij zijn aanhang niet verder van zich vervreemden, maar ze kunnen geen leidraad voor zijn uiteindelijke beleid vormen.

De slachting van vorige week onder de Palestijnen moet juist een extra argument voor de PLO zijn haast te maken. Per slot van rekening kan alleen een dialoog met Israel de Palestijnen zelfbestuur op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza opleveren; na vijf jaar mogelijk gevolgd door de fel begeerde staat. Dit zelfbestuur impliceert ook de instelling van een Palestijnse politiemacht - Israel is nu bereid deze uit te breiden - die op den duur zal zorgdragen voor de veiligheid van de Palestijnen op de hele Westelijke Jordaanoever. Het is van de Palestijnen een illusie te geloven, dat de huidige of enige andere Israelische regering onder internationale druk de inhoud van of de volgorde in de akkoorden die de PLO en Israel op 13 september 1993 ondertekenden, zal veranderen. De eis van de PLO dat de inwoners van de nederzettingen ontwapend moeten worden, wordt bovendien door weinig Israelische politici onderschreven, zolang fanatieke Palestijnen, leden van Hamas en zelfs PLO-organisaties, nog bijna dagelijks aanslagen op de kolonisten plegen. In de afgelopen vijf maanden werden 33 joodse kolonisten door Palestijnse extremisten vermoord. Dit ontslaat de kolonisten niet van de plicht de Israelische wet te gehoorzamen. Overtreden ze die dan moeten ze na berechting naar Israel binnen de grenzen van 1967 terugkeren.

Voor de PLO bestaat nog een belangrijke reden om snel terug te gaan naar de onderhandelingstafel. De oorspronkelijke factoren die aan Palestijnse kant aanleiding waren voor de dialoog met Israel zijn niet veranderd. Nog steeds staat de PLO geïsoleerd in de Arabische wereld en is financiële steun voor die organisatie en de Palestijnen afhankelijk van de mogelijkheid vrede met Israel tot stand te brengen. Na de aanslag van vrijdag heeft vrijwel elke Israelische minister aangedrongen op een versnelling van het vredesproces. De Knesset heeft met 93 stemmen tegen 1 en 7 onthoudingen een motie aangenomen waarin afschuw werd uitgesproken over de 'criminele moord' van vrijdag. Een opinieonderzoek onder de Israelische bevolking laat zien dat slechts 3,6 procent Goldsteins daad ondersteunt. Hoewel Israelische politici hun best doen scherp onderscheid te maken tussen de 'gezagsgetrouwe' kolonisten en de extremisten van Kach en Kahane Chai, bestaat bij de Israelische bevolking toch in toenemende mate het gevoel, dat de inwoners van de nederzettingen het recht van spreken over de toekomstige status van de bezette gebieden verloren hebben. Gelijktijdig groeit de steun voor het regeringsbeleid om vrede met de PLO te sluiten. Dit klimaat van schaamte over de aanslag bij Hebron is voor de PLO een gouden kans aan de onderhandelingstafel wensen gerealiseerd te krijgen, die tot dusver onvervulbaar waren.

In zijn perfide wereldvisie heeft Baruch Goldstein niet voorzien, dat door zijn aanslag op de vrede ook een contraire stroming op gang zou komen, gericht op het snel doorhakken van de resterende knopen in het vredesproces. Hij heeft binnen de Israelische samenleving een boemerangeffect veroorzaakt voor de Kachpartij en andere extremisten. Door de serie maatregelen die de regering nam, komen Kach-leden voortaan voor administratieve detentie in aanmerking en kan de partij verboden worden.

“Goldstein”, zo zei Jisrael Harel, de voorzitter van de Raad van Joodse Gemeenschappen in de bezette gebieden, “werd een dodelijke agent in het vernietigen van de fundamenten van de joodse gemeenschappen in Hebron en elders in Judea, Samaria en Gaza”.

Welke richting het met de vrede tussen joden en Palestijnen opgaat hangt nu vooral van Arafat af. Zal hij staatsmanschap kunnen laten prevaleren boven het vertolken van de gevoelens van de Palestijnse man in de straat? In Washington, tijdens de plechtigheden rondom de overeenkomst met Israel, sprak hij: “De strijd voor de vrede is de moeilijkste strijd van ons leven. Hij verdient onze inzet, want het land van de vrede smacht naar een rechtvaardige en alomvattende vrede.” Die uitspraak heeft niets aan kracht ingeboet.

    • Ronny Naftaniel