Zwijggeld

Wat de een in het dorp niet zeggen wilde, vertelde de ander wel. Zo bouwden we stukje bij beetje de voorgeschiedenis van het Witte Huis op.

Of liever, zo voegde zich van lieverlede een aantal fragmenten bij elkaar waardoor ons een doorkijkje op iets van een voorgeschiedenis werd geboden.

De vader van dona Clara bezat een rederijkantoor in de stad en kwam alleen in de weekeinden naar zijn woning op het land, en vaak dan nog niet. Dona Clara's moeder had er lucht van gekregen dat haar man homoseksueel was en huurde een detective in om zijn gangen te bespieden. En ja, er was een duister pensionnetje in de stad, de Bonança genaamd, waar dona Clara's vader naar binnen ging, en een uur later weer naar buiten, in gezelschap van matrozen en jong mannelijk werkvolk. Klik-klik deed de Kodak van de detective. Maar nog voor het aan de hand van de bewijsstukken tot een profijtelijke echtscheiding kon komen overleed de moeder en had dona Clara het huis voor zich alleen.

In de jaren voor de anjerrevolutie - ze moet toen in de dertig zijn geweest - koesterde Clara een heimelijke sympathie voor het communisme. Dat kwam bij rijken die de bui zagen hangen destijds meer voor. Als het tij eenmaal zou keren kon je achteraf tenminste zeggen dat je altijd al goed was geweest. Bovendien stond het in die periode voor een rijkeluisdochter wel modern, een beetje koketteren met het linkse ideeëngoed, het was tenslotte net als de mode en Chanel nummer vijf uit Parijs afkomstig.

Fernando, dona Clara's rentmeester en huisbewaarder, een vijftigjarige vader van vier kinderen, was tevens de burgemeester van het dorp. Hij ging door voor een informant van de Pide, de geheime dienst van het Salazar-regime. Dat klinkt erger dan het is, niet iedere overheidsdienaar was een verklikker, het was eerder zo dat alle burgemeesters uit hoofde van hun ambt verplicht waren een oogje in het zeil te houden en hun superieuren te waarschuwen als ze iets gevaarlijks meenden te bespeuren. En het enige gevaarlijke was het communisme. Op de discretie van Fernando mocht dona Clara evenwel rekenen, want ze ging met hem naar bed.

Zo kon het gebeuren dat er jarenlang allerlei revolutionaire kopstukken bij haar over de vloer kwamen, voor geheime bijeenkomsten of zomaar voor een gezellig zomerweekeind. Otelo, van de latere terreurgroep, moet er vaak bij zijn geweest, en ook de onuitsprekelijke Alvaro Cunhal. Een stalinistisch adelaarsnest was het Witte Huis in die pre-revolutionaire dagen, gedekt en afgeschermd door dona Clara's warme verhouding met een godvrezende overheid.

Fernando is nu onze huisbewaarder. Dat wil zeggen, hij snoeit en graaft wat in de tuin en is op zijn zeventigste nog zeer bekwaam in het afwimpelen van ongewenste pottekijkers.

    • Gerrit Komrij