Zuidertoren (2)

In het artikel 'De Zuidertoren klinkt weer als een klok' (W&O 24 feb.) wordt een onjuiste indruk gewekt over het meningsverschil tussen de Advies- en Keuringscommissie van de Nederlandse Klokkenspel-Vereniging (NKV) en de Astense campanoloog en directeur van het Nationaal Beiaardmuseum dr. André Lehr omtrent de keuze van het materiaal voor de klepels.

Gesteld wordt, dat de 'heldere en doorzichtige klank' van de gerestaureerde beiaard van de Amsterdamse Zuidertoren, die in overeenstemming is met 'het zeventiende-eeuwse klankideaal' voor een belangrijk deel op rekening komt van 'de harde, gietijzeren klepels', soortgelijk als die van het Koninklijk Paleis te Amsterdam. Vervolgens wordt opgemerkt, dat volgens dr. André Lehr 'zachte smeedijzeren klepels... de voorkeur hadden verdiend'.

Dit wekt de indruk alsof men bij een authentieke restauratie van het 17de eeuwse carillon de keuze zou hebben gehad tussen gietijzeren en smeedijzeren klepels en de vraag kon stellen: 'Welke klepels verdienen bij die reconstructie de voorkeur?'

Lehr betoogt echter iets geheel anders, namelijk dit. Bij een werkelijk authentieke reconstructie van de zeventiende eeuwse inrichting van een Hemony-carillon komen uitsluitend zachte smeedijzeren klepels in aanmerking, omdat gietijzeren klepels in de 17de eeuw nog niet werden vervaardigd. Na een gedegen onderzoek komt Lehr in een uitvoerig gedocumenteerd rapport tot een zevental conclusies, waarvan de eerste twee en de laatste luiden:

(1) “De zachte smeedijzeren klepels met een gemiddeld gewicht van ruim 4% van het klokgewicht waren in de 17de en 18de eeuw regel, en dus ook voor Hemony en Sprakel.

(2) De harde gietijzeren klepels met een aanzienlijk lager gewicht dateren op zijn vroegst uit de tweede helft van de 18e eeuw en zijn waarschijnlijk slechts incidenteel gemaakt en dan bovendien door ijzergieters die vermoedelijk weinig met het inrichten van een beiaard bekend waren.

(7) Een authentieke restauratie van een 17de-eeuwse Hemony-beiaard vraagt uitsluitend zachte, zware smeedijzeren klepels. Alleen op die wijze kan men ervan verzekerd zijn dat de oorspronkelijke klankkleur weer gehoord zal worden.''

Dit rapport en deze conclusies acht ik persoonlijk alleszins overtuigend. De Adviescommissie van de NKV kwam echter tot een tegenovergesteld oordeel. Dit bleek tijdens een vergadering op 20 december 1993 van de voltallige Gemeentelijke Adviescommissie, twee functionarissen van het Bureau Monumentenzorg van de gemeente Amsterdam waaronder die commissie ressorteert en twee vertegenwoordigers van de Adviescommissie van de NKV, waarbij het uitgangspunt van beide commissies, te weten: een authentieke restauratie c.q. reconstructie van het 17de-eeuwse carillon werd gehandhaafd. Omdat de meningen over de klepel-kwestie verdeeld waren, werd toen besloten dienaangaande een nader onderzoek te doen instellen door objectieve deskundigen.

    • Mr. R. de Waard