Zuidertoren (1)

Naar aanleiding van het artikel De Zuidertoren klinkt weer als een klok (W&O 24 feb.) wil ik het volgende opmerken. Aan de basis van de vraag hoe het historisch klokkenspel heeft geklonken, staan twee typen beiaarden. 1. De sonoor en warmklinkende beiaard dankzij zachte, zware smeedijzeren klepels en 2. de transparant en helder klinkende beiaard dankzij harde, lichte gietijzeren klepels.

Gezien dit duidelijk hoorbare klankverschil dient men bij een authentieke restauratie de juiste historische klepel te kiezen. Ofschoon een overstelpende hoeveelheid bewijzen beschikbaar is voor het feit dat in de 17de en 18de eeuw uitsluitend zachte, zware smeedijzeren klepels werden gebruikt, heeft de Adviescommissie van de Nederlandse Klokkenspel-Vereniging niettemin gekozen voor lichte, harde gietijzeren klepels. Die keuze is op geen enkele wijze door genoemde commissie in haar rapporten gemotiveerd.

Alle 17de en 18de-eeuwse contracten, rekeningen enz. spreken unaniem over zware smeedijzeren klepels. De 17de- en 18de-eeuwse klepels die in het Nationaal Beiaardmuseum bewaard worden zijn alle uit zacht smeedijzer vervaardigd. De oudste bewijzen van gietijzeren klepels dateren uit de 19de eeuw. De bij de huidige restauratie gebruikte klepels zijn aangepaste kopieën van de lichte, harde gietijzeren klepels die voor het eerst in 1906, ja zeker in 1906, op de Domtoren in Utrecht zijn gebruikt.

Nadat de Adviescommissie van genoemde vereniging met het bovenstaande werd geconfronteerd, heeft ze niet alsnog de bewijzen voor de historiciteit van de lichte, harde gietijzeren klepel geleverd. Liever koos men de vluchtroute door te proberen vanuit de praktijk van de authentiek uitgevoerde barokmuziek het aannemelijk te maken dat de gietijzeren klepel met zijn transparant klankeffect zo'n slechte keuze nog niet is.

Maar ook die benadering gaat mank aan enig historisch inzicht. Er is geen spoor van bewijs te leveren dat het klankideaal van de barokmuziek uit de concertzaal identiek was aan de torenmuziek uit diezelfde tijd. Integendeel, steeds weer wordt men geconfronteerd met het feit dat de 17de- en 18de-eeuwse beiaarden met zachte, zware smeedijzeren klepels waren uitgerust en derhalve juist niet transparant en juist niet helder klonken.

Men kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat sommige beiaardiers een verleden aan het creëren zijn dat het mogelijk maakt dat ook de beiaard in de wereld van de authentieke muziekpraktijk wordt opgenomen. Maar wie er bijvoorbeeld de 18de-eeuwse muziekcriticus Charles Burney op na leest, weet maar al te goed dat de beiaard in die tijd nauwelijks verder is gekomen dan een slaginstrument waarop eenvoudige muziek op eenvoudige wijze ten gehore werd gebracht. En hoe kon het ook anders met die zware smeedijzeren klepels en moeilijk beheersbare draadverbindingen? Zeker, er waren enkele virtuozen, maar die vormden een curiositeit.

De Nederlandse beiaardwereld verdoet zijn tijd aan allerlei salon-hypothesen en vergeet dat allereerst op het onderwerp gestudeerd moet worden, dat in het archief gewerkt moet worden en dat de weinige artefacten van oude beiaarden in het Nationaal Beiaardmuseum bestudeerd dienen te worden.

Maar de studie van de historische beiaard loopt nog altijd achter op die van andere historische instrumenten. De oorzaak schuilt mede in het feit dat de begeleiding van een restauratie als die van de beiaard op de Zuidertoren door goedwillende beiaardiers wordt gedaan die voor dat werk niet de noodzakelijke opleiding kregen. Evenmin werden er historici bij betrokken, terwijl ook monumentenzorg geen inbreng had. Kortom, het waren dilettanten die op deze restauratie hun stempel hebben gedrukt, met alle gevolgen van dien.

Die gevolgen zijn overigens niet alleen bij de klepels merkbaar. Het klavier is bijvoorbeeld niet echt authentiek nagebouwd, de repetitieveren achter de klepels zijn moderne, de toegepaste compensatieveren bestonden nog niet in de 17de eeuw enz.

Kortom, de Zuidertoren-beiaard klinkt niet zoals hij in de 17de eeuw heeft geklonken, maar zoals een aangepaste beiaard in de 19de eeuw heeft geklonken. De met zoveel ophef aangekondigde authentieke restauratie van de beiaard op de Zuidertoren moet dan ook als een mislukking worden beschouwd.

Hopelijk zal de wereld van de oude muziek dit beseffen en niet menen dat wat vanaf de Zuidertoren gehoord wordt origineel 17de-eeuws is. De beiaard is allerminst de verloren zoon die alsnog de heilige hallen van de oude muziek binnen geleid moet worden, tenzij door de geschiedenis te vervalsen zoals dat in Amsterdam op de Zuidertoren geschiedde.

    • Dir. Nationaal Beiaardmuseum
    • Dr. André Lehr