Vooruitgang

Tussen '66 en '73 zat ik meestal binnen, eerst als journalist, daarna als socialist. In die laatste functie kwam je eigenlijk alleen maar buiten om te colporteren of te demonstreren en dat was altijd in de stad, nooit in de natuur.

Toen namen we een hond en die hond begon me uit te laten in de Hatertse Vennen en het landschap diende zich weer aan als een vanzelfsprekende achtergrond voor fantasie en bespiegeling. Illusies over revolutie maakten plaats voor illusies over literatuur.

Langzaam raakte ik geboeid door andere gebruikers van het landschap, vooral dieren, en uiteindelijk heb ik van mijn geboeidheid werk gemaakt.

Dus je stapt naar een bioloog en je zegt: nou, laat maar eens zien waar jullie het aldoor over hebben.

En dan ga je op een andere manier om je heen kijken en je eerste gewaarwording is er een van een geweldige rijkdom. De das bijvoorbeeld. En de adder. Vleermuis, lepelaar, gele kwikstaart, groene specht, bruine kiekendief, kievitsbloem, zweeds kornoelje, gentiaanblauwtje - het bestaat allemaal echt.

Natuurlijk, het wás er al, de natuur is niet nieuw, jij bent nieuw. Dat weet je wel, maar zo onderga je het niet. Je ondergaat het alsof om je heen een sprookjespaleis wordt opgebouwd. Je ondergaat een natuur die bezig is zich uit te breiden, een natuur in vooruitgang.

    • Koos van Zomeren