Steeds meer futen overwinteren in Nederland

Het gedeelte van de Nederlandse futen dat niet wegtrekt, maar overwintert in eigen land is de laatste dertig jaar sterk toegenomen. Onderzoekers van de universiteit van Antwerpen maken dat uit ringonderzoek op. (Ardea 81 [2])

Na het broedseizoen vertonen futen (Podiceps cristatus) trekbewegingen naar ruiplaatsen, en daar vandaan naar overwinteringsgebieden. Vanoudsher overwinteren futen uit Noordwest Europa voornamelijk op grote meren in Zwitserland, Oostenrijk en Frankrijk, of aan de zuidwestkust van Engeland. Een enkele geringde Nederlandse vogel werd bij de Kaspische zee aangetroffen, op ruim drieduizend kilometer afstand van Nederland.

Ook overwintert een deel van de vogels in Nederland zelf, op grote meren, voor de kust, en in een zachte winter ook wel in het eigen broedgebied. Deze groep is sterk gegroeid. Voor 1970 overwinterde eenvijfde van de futen in Nederland. In de jaren zeventig was de verhouding gelijk. Maar in de periode 1980-1990 bleef tachtig procent van de vogels hier, zo blijkt uit terugmeldingen van geringde vogels - een omkering van de oorspronkelijke verhouding.

De toegenomen populariteit van het vogelkijken speelt bij deze terugmeldingen geen rol, volgens de onderzoekers. De oorzaak zien zij in kunstmatige waterwerken. Zo zijn delen van het IJsselmeer zeer in trek bij jaarlijks tien tot veertigduizend futen, en sinds het begin van de jaren tachtig wordt ook het Grevelingenmeer jaarlijks door tot tienduizend overwinteraars opgezocht. Ook andere kunstmatige meren kennen zo'n toename. Ze zijn voedselrijk, en sommige bieden ook nog eens uitstekend zicht onder water, wat de op vis jagende futen goed uitkomt.

In dezelfde periode is het aantal futen dat in Zwitserland overwintert sterk afgenomen. Maar dat gebeurde pas enkele jaren nadat het aantal in Nederland blijvende dieren toenam. Dat suggereert dat het niet gaat om een keus die de dieren afhankelijk van de omstandigheden maken, maar dat genetische aanleg een rol speelt. De 'blijvers' winnen het van de 'trekkers'. Een belangrijk voordeel voor de 'blijvers' is dat zij, terwijl de trekkers nog met een hachelijke terugtocht bezig zijn, een goed broedgebied kunnen bezetten. Ze beginnen vroeger met broeden, produceren meer legsels per jaar en brengen uiteindelijk meer jongen groot. Hun aandeel in de populatie neemt dus toe.

De sterke voordelen voor plaatselijk overwinterende dieren spelen onmiskenbaar een rol in de toename van het aantal in Nederland broedende futen - naast een sinds de jaren zeventig relatief hogere waterkwaliteit, een toename aan geschikte broedplaatsen, en het feit dat deze vogels hun vroegere schuwheid hebben afgelegd en zonder probleem in de stad broeden.

    • Frans van der Helm