RULES OF TEN

Veel nieuwe ideeën in wetenschap, technologie, literatuur, muziek, theater, film, vinden hun oorsprong en bloei in de Verenigde Staten. Het land dat graag door sommigen in Europa als verzamelplaats van ketchup-barbaren wordt gezien, heeft in cultureel opzicht het oude Avondland al op menig terrein overvleugeld.

Hoe komt dat? Een belangrijke reden is een voor Europeanen, en zeker voor Nederlanders, onvoorstelbare drive tot presteren, tot het leveren van kwaliteit. De essentie is dat echte kwaliteit een zeldzaamheid is. Doet het zich voor, dan is er maar één mogelijkheid om van top-kwaliteit te genieten: het moet herkend worden, en vervolgens gekoesterd.

Is er een statistiek van top-kwaliteit? De Amerikaan John Gilman heeft jarenlang als directeur van een groot laboratorium van toegepast wetenschappelijk onderzoek nauwgezet allerlei vormen van 'output' geanalyseerd, variërend van memo's met terloopse ideeën tot en met publikaties en octrooien die een doorbraak betekenden. Wat waren zijn bevindingen?

Een groep van ongeveer 75 onderzoekers produceerde in een onlangs afgesloten periode van tien jaar zo'n 10.000 ideeën die de moeite waren om er een kort memo over te schrijven, of er een interne bespreking in kleinere kring aan te wijden. We zien dat dit per onderzoeker neerkomt op per maand één idee waaraan enige aandacht besteed wordt.

Deze 10.000 ideeën leidden tot ongeveer 1.000 uitvoeriger notities, zeg maar interne rapporten, en dit leverde weer zo'n 100 octrooi-aanvragen bij het Amerikaanse octrooibureau. Van deze 100 octrooi-aanvragen bleken er 10 succesvol, in termen van commercieel significant. Eén octrooi veroorzaakte een complete verandering van de industrie in het betrokken gebied.

Soortgelijke rules of tens zijn ook door andere onderzoekers gevonden. De consequenties van deze wetmatigheid zijn duidelijk. Het proces van onderzoek en uitvinding kenmerkt zich door zeer veel activiteit, er is een enorme inspanning nodig voor het uiteindelijk bereiken van topprestaties, en de kans op steeds hogere kwaliteit verloopt niet lineair maar logaritmisch. Anders gezegd, van goede kwaliteit (succesvolle uitvinding) naar topkwaliteit (doorbraak) is een factor 10, van interne rapporten (gemiddeld matige kwaliteit) naar een doorbraak is een factor 1000 aan inspanning.

Een betere illustratie waarom goede kwaliteit zeldzaam is, en dus, indien aanwezig, gekoesterd moet worden, is nauwelijks te geven. Poincaré, een van de grootste wiskundigen aller tijden, stelt dat ontdekking en uitvinding bestaat in het vermijden van zinloze combinaties van kennis, en dus in het vinden van zinvolle combinaties die evenwel tot een bijna oneindig kleine minderheid behoren. Ontdekking en uitvinding berust op de zeldzame kunst van het onderscheiden, en van het kiezen.

Bovenstaande statistiek leert ons dat veel gepraat over 'doelgericht onderzoek' onzin is. Belangrijke resultaten kunnen niet afgedwongen worden. De ontdekking van penicilline, de vondste van een genetische code, de creatie van de quantummechanica was niet van te voren besteld. En toch zien we dat de nationale overheden, en op nog arrogantere wijze de Europese Unie bureaucratie, zich op het standpunt stellen dat Big Brother het allemaal het beste weet, ook bij fundamenteel onderzoek. Maar Big Brother weet niets. Hij weet namelijk per definitie niets over datgene waar het bij wetenschappelijk onderzoek om gaat: het onbekende. Bij het toepassen van bestaande kennis ligt het uiteraard anders.

Langs een geheel andere weg blijkt ook de zeldzaamheid van topprestaties. In 1926 analyseerde de Amerikaanse chemicus Lotka het werk van bijna 7000 collega-chemici die minstens één artikel in een periode van tien jaar geschreven hadden. Lotka ging nauwkeurig na hoeveel van die 7000 chemici slechts één publikatie (in tien jaar) hadden, hoeveel er twee hadden, drie, enzovoorts. Wat hij vond was allesbehalve een uniforme verdeling: 3400 chemici hadden precies één publikatie, vijftig hadden vijf publikaties, en zeven chemici (1 promille van de hele groep) hadden zes of meer publikaties.

Dergelijke analyses zijn later vele malen overgedaan, met telkens vergelijkbare resultaten. Het aantal octrooien per uitvinder vertoont eveneens een soortgelijke verdeling. Hoewel er tegenwoordig per actieve onderzoeker meer gepubliceerd wordt, blijft de verdeling in essentie gelijk aan wat Lotka bijna zeventig jaar geleden vond: een groot gedeelte van de wetenschappelijke produktiviteit wordt door een klein aantal onderzoekers geleverd. Ruwweg levert de top-10% van de auteurs al bijna 60% van alle publikaties.

Deze 'scheve verdeling' is verwant aan de wet van Pareto in de economie, bijvoorbeeld met betrekking tot inkomensverdelingen. Heel interessant zijn de resultaten van een juist afgeronde Lotka-analyse van de Nederlandse sociale wetenschappen, voor wat betreft het publiceren in internationaal vooraanstaande tijdschriften. Wat opvalt is dat de spraakmakende lieden in faculteiten moeilijk te vinden zijn, vooral in de top. Voor één van de sociale faculteiten is het duidelijk dat topprestaties weinig gekoesterd worden: toppers zijn weggegaan (leegloop), of ze hebben nog steeds perifere posities in de faculteit (verwaarlozing).

De scheve verdeling van prestaties en de 'rule of tens' wijzen beide naar één richting: koester uw groepen die kwaliteit leveren. We hebben al in een eerder betoog duidelijk gemaakt dat we het met ons academisch onderzoek in Nederland lang niet slecht doen. Ik beweer nu dat we vanuit zo'n situatie met betrekkelijk weinig moeite veel meer hadden kunnen presteren, en nog steeds kunnen.

Het gebeurt te weinig, en de reden is simpelweg wat ik al eerder noemde: kwaliteit wordt in dit land niet gekoesterd. De universiteiten verkeren al vele jaren in de greep van een te omvangrijke bestuursstructuur waar egaliserende principes en, daarmee, afstomping van het subtiel voelen van kwaliteit, een levenshouding zijn geworden.

De overheid, die de universiteiten eind jaren zestig in een paniekreactie (minister Veringa) opzadelde met een van de gemeentewet afgeleide bestuursstructuur, heeft nu te weinig durf om er een eind aan te maken. Een geweldige bureaucratie is het gevolg geweest. Een vergelijking met buitenlandse universiteiten waar ik de afgelopen jaren werkte, leerde dat het geheel aan universiteits- en faculteitsraden en directe omgeving in bureaucratische omvang ongeveer drie keer zo groot is als bij een gemiddelde Franse, Duitse, Britse of Amerikaanse universiteit.

Colleges van bestuur hebben soms heldhaftige pogingen gedaan de bureaucratie te reduceren. In een aantal gevallen is men daar gedeeltelijk in geslaagd. Maar een wezenlijke klimaatsverandering aan de universiteiten is nog niet bereikt.

De eerste bezielende poging om kwaliteit weer als element van beleid in te voeren staat en blijft op naam van R.J. in 't Veld. Begonnen in Leiden met de fameuze Z-financiering (Z van 'kwalitatief Zwaartepunt'), en door de nationale overheid overgenomen als 'voorwaardelijke financiering' (VF). Nu, vijftien jaar later werkt het niet meer als systeem om topkwaliteit te koesteren. Zo'n tachtig procent van al het universitaire onderzoek zit in het 'VF-systeem' en het beleid dienaangaande is grotendeels tot een ritueel circus van beoordelingen en besprekingsrondes ontaard. Geeft niet, zegt de overheid, we verzinnen weer iets nieuws. En dat werden de onderzoeksscholen.

Dit nieuwe circus heeft aan de universiteiten aanleiding gegeven tot allerlei ordinaire straatruzies. Wie mag meedoen? Wie is de baas? Wie is 'penvoerder'? Ook dit beleid zal niet in staat zijn topkwaliteit te koesteren: er vindt immers geen klimatologische doorbraak plaats. Integendeel: universiteiten en overheid hebben onderzoeksscholen vooral nodig om beleid te kunnen voeren zoveel mogelijk buiten de huidige bestuursstructuur om.

We zitten nu dus met een dubbele bureaucratie: een toevoeging van een massa onderzoekscholen, en een overheid die om politieke redenen het niet aandurft de huidige bestuursstructuur van de universiteiten te veranderen in een meer op prestaties en niet-egaliserende denkbeelden gebaseerde structuur.

De overheid zou zich moeten beperken tot het opleggen van een wettelijk minimum (zoiets als een ondernemingsraad) en er zich niet verder mee bemoeien. Daarnaast kan tegelijkertijd de directe stroom van geld naar de universiteiten verkleind worden. Deze zogeheten 'eerste geldstroom' is in Nederland het grootst van alle Westerse landen. Het is de tweede reden waarom in Nederland kwaliteit niet gekoesterd kan worden: gemiddelde prestaties worden te gemakkelijk beloond met een automatische geldstroom. Een groter deel van de financiering moet op prestatiebasis worden verschaft. NWO, de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek, kan dan haar goede, topkwaliteit bevorderende initiatieven verder uitbreiden. Diversiteit is hier overigens van groot belang. In de meeste landen is er naast de zusterorganisatie van NWO nog een Max Planck-Gesellschaft (Duitsland), of een andere onderzoekorganisatie.

Het geld moet ergens vandaan komen, willen we het beste gaan koesteren. Hoe? We gaan terug naar onze statistische beschouwingen in het begin. Topprestaties zijn zeldzaam, maar het is geen slechte keus als we streven naar een extra ondersteuning van de kwalitatieve top 10% van, bijvoorbeeld, een faculteit. Deze top 10% krijgt het volgende: een extra vaste plaats voor een onderzoeker (immers de tijdelijke stimulering van jonge onderzoekers vanuit andere organisaties als NWO moet ooit eens aan de universiteit geconsolideerd worden), een extra promovendusplaats, en een bevordering van een der senioronderzoekers tot research-hoogleraar, plus de daarbij behorende materiële middelen. Als je deze tamelijk bescheiden realloctie uitvoert op een faculteit, dan gaat de andere 90% er ongeveer 17% op achteruit.

Is deze prijs voor het koesteren van topkwaliteit te hoog? Dit lijkt me de interessantste discussie die in de komende tijd aan onze universiteiten gevoerd moet worden. Want uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat het vooral binnen de universiteiten zelf moet gebeuren. De overheid is er voor de randvoorwaarden, niet voor het klimaat. Maar misschien hebben we in dit land al zoveel geëgaliseerd, dat we helemaal niet meer weten hoe we de kwaliteit moeten koesteren.

    • Ton van Raan