Reisgenoten

De gebeurtenissen in een goed gevulde treincoupé doen vaak nauwelijks onder voor een uurtje huil-tv. Of praat-radio, wanneer het drama zich buiten het blikveld afspeelt. In geval van nood zijn er altijd nog de 38 pagina's per uur waarmee de NS het lezen in de trein aanbeveelt.

Na een korte tussenstop op een station aan de rand van Amsterdam ploft een man op de bank aan de overzijde van het gangpad. Ik kijk op van mijn boek. De man draagt een leren jack en een schipperspet. Aan een nylonkoord trekt hij een witte hond naar zich toe. Het dier heeft een opvallend spitse snuit, staat hoog op de poten en is veel te dik. Dan dringt het tot mij door: het beest, dat geduldig naar de baas opkijkt, behoort niet tot een exotisch honderas. Het is een geit.

Plots schrompelt de buitenwereld ineen. Plakken grijs beton drukken zich tegen de ramen van de trein, afgewisseld door langszoevende tl-buizen. “Ladies and gentlemen...”, kraakt het door de coupé. De trein nadert station Schiphol. Ik wip in mijn jas en grijp mijn bullen bij elkaar. Op het tussenbalkon staat de man met de geit al te wachten tot de trein het ondergrondse station heeft bereikt.

Een conducteur verbreekt de stilte van het wachten. Bij het passeren van de restauratiewagen heeft de geit een spoor van keutels door het gangpad getrokken. Het resultaat oogt alsof een onbehendige reiziger zijn zakje drop slechts moeizaam open kreeg. “Vind je dat normaal?” bromt de conducteur zijn standaard verwijt voor onbehoorlijk gedrag tegen de reiziger. Gehaast herstelt de eigenaar van het dier met papieren handdoekjes uit een toilet de schade. “Er staat nergens dat het niet mag”, overlegt de spoorwegbeambte met een collega.

“Bent u een monnik?” vraagt de man met de geit wanneer het eerste stukje perron in zicht komt. Mijn bruine regenjas reikt tot de enkels. Ik legitimeer het wonderlijke kledingstuk met een opmerking over de herkomst: Nieuw-Zeeland, deze jassen worden gebruikt bij het veedrijven.

Het ijs is gebroken. Samen lopen wij naar de lift, terwijl de man over zijn reisgenote vertelt. “Ze is nog wat bang voor de roltrap. Reizen vindt ze heerlijk, hoewel ze soms in een drukke stationshal in gemekker kan uitbarsten.”

Wanneer ik vraag naar de problemen rond de mest, grinnikt de veehouder. “Het kwam goed uit dat de conducteurs over die keutels begonnen. Ik reis altijd zonder kaartje want de reis naar het vliegveld kost een vermogen. Maar ziet u, mijn spullen liggen hier in een kluisje”, verontschuldigt hij zich.

Gelukkig is de geit niet duur in het onderhoud. De hoofdstad telt vele stukjes groen waar het dier kan grazen. “Soms voer ik haar spullen die ik in een dierenwinkel koop - daar wordt ze sterk van. Eigenlijk heb ik haar voor de melk, moet u weten. Binnenkort gaan we terug naar mijn boerderij in Oostenrijk.”

In de aankomsthal van de luchthaven nemen wij afscheid. De schipperspet danst voor mij uit tussen de reizigers, terwijl de geit nieuwsgierig rondkijkend achter de baas aan trippelt. Hier en daar komt een kofferkaravaan tot stilstand. “Did you see that... Was that a goat?”