Op zoek naar de verloren plooival

De Klassieke Oudheid is van alle tijden. Dat blijkt maar weer eens uit de voorjaarscollecties van Romeo Gigli, Issey Miyake en Karl Lagerfeld. Deze lente lopen we rond als Griekse wagenmenners of beeldschone korai.

In het Palazzo Fortuny te Venetië is een permanente expositie te zien van een aantal van Fortuny's ontwerpen en vooral van zijn stoffen en theaterkostuums. Voorts bezitten het Victoria & Albert Museum te Londen, het Musée de la Mode et du Costume te Parijs en het Metropolitan Museum of Art te New York belangrijke collecties van zijn kleding.

De allermodernste gewaden van 1994 zullen klassieker dan klassiek zijn. Dat voorspelde de Nederlandse modestiliste Lidewij Edelkoort al twee jaar geleden. Lange, simpele jurken die doen denken aan Griekse en Romeinse tijden, orakelde zij toen, gingen het helemaal maken.

In de wereld van de haute couture geldt een voorspelling van 'fashion forecaster' Lidewij Edelkoort als een ijzeren wet. Het was dus niet helemaal een verrassing dat in zowat alle voorjaarscollecties van dit jaar gewaden uit een ver verleden opdoken. Vrijwel alle Parijse couturiers hadden de aanwijzingen van Edelkoort ter harte genomen en hun inspiratie gezocht in Griekse korai, hellenistisch aardewerk of Pompejaanse fresco's. Zo toonden Claude Montana, Martine Sitbon en Gianni Versace gedrapeerde avondtoiletten van gouden stoffen, waarop de goden van de Olympus jaloers konden zijn. Bij zoveel glans leek de collectie van Comme des Garçons bijna saai. Toch waren ook hier Griekse invloeden te bespeuren. Als Vestaalse maagden verschenen de modellen in sombere gewaden met brede kuisheidsbanden strak om het lichaam gesnoerd.

De Italiaanse ontwerper Romeo Gigli hoefde voor de nieuwe trend geen revolutie te plegen: hij borduurde gewoon voort op de neo-klassieke jurkjes met een hoge taille die hij al in eerdere collecties had laten zien. Wel werden daar dit jaar nog wat Etruskische dessins en Egyptische halskettingen uit de tijd van Toetanchamon aan toegevoegd. Collega Karl Lagerfeld ontwierp voor het modehuis Chloé pastelkleurige en vormeloze jurken met vale motieven die overduidelijk geïnspireerd waren door Minoïsche fresco's uit Knossos en Thera. Vooral op zijn catwalk leek de stoet van gedrapeerde kleren en krullende kapsels à la Grecque vrijwel eindeloos.

De nostalgische explosies in de mode hebben een lange geschiedenis. Al in de kleding van de zestiende eeuw werd teruggegrepen op de Klassieke Oudheid, maar het hek ging helemaal van de dam na de Franse Revolutie in 1789. Als reactie op die chaotische situatie ontstond het verlangen naar strakke eenvoud, die culmineerde in de Empire-stijl. Die rage werd gevoed door een mengeling van hang naar de klassieken en dwepen met het filosofische gedachtengoed van Jean-Jacques Rousseau. Voor vrouwen resulteerde dit in rechte, hoog getailleerde japonnen met een laag uitgesneden decolleté. Om de plooival van Griekse en Romeinse beelden te imiteren, werd de stof vochtig gemaakt, met als gevolg dat de doorzichtige jurken op een ophefmakende manier aan het lichaam bleven plakken. Reden temeer voor de Parijse demi-mondaines zoals Josephine Beauharnais, Thérèse Tallien en Madame Récamier - ofwel 'de Drie Gratieën' - om à l'antique gekleed te gaan.

Ook in onze eeuw is de Oudheid een inspiratiebron in de couture geweest. Ontwerpers als Madeleine Vionnet, Claire McCardell en Madame Grès grepen regelmatig terug op geplooide chitons, toga's en omslagdoeken. In de jaren vijftig leken de gedrapeerde avondjaponnen van Madame Grès zelfs zozeer op klassiek-Griekse sculpturen - Grès zelf was beeldhouwster - dat Christian Dior elke jurk van haar 'een meesterwerk' noemde. Toch konden haar ontwerpen niet tippen aan de creaties van 's werelds grootste connaisseur op het gebied van de klassieke draperieën, Mario Fortuny. De 'Griekse' kledingontwerpen van deze Spaanse kunstenaar zorgden aan het begin van deze eeuw voor een mode-revolutie.

Mariano Fortuny y Madrazo werd in 1871 te Granada geboren als telg van een beroemde familie van kunstschilders. In 1889 vestigde hij zich in Venetië. Hij was architect, schilder, fotograaf, beeldhouwer, tekenaar, decorontwerper en alles wat daarmee te maken had. Tussen 1901 en 1934 registreerde hij ook nog eens meer dan twintig uitvindingen. Van stilzitten hield 'de magiër van Venetië' kortom niet. In 1906 begon hij te experimenteren met stoffen die op een typische manier geplooid konden worden. Zijn eerste echte ontwerp was de 'Knossos'-shawl met geometrische motieven die uit de Cycladische kunst kwamen. De doek kon op een aantal manieren worden gedragen: om het lichaam gebonden of als decoratie bij de 'Delphos'-japon uit 1907. Deze Delphos was een cilindervormig, losvallend kledingstuk van geplisseerde zijde, dat met een gevlochten koord rond het lichaam vastgebonden kon worden. Het idee ontleende Fortuny aan de beroemde sculptuur 'de wagenmenner van Delphi' uit ongeveer 470 voor Christus. De plisseertechniek van de Delphos liet de zijde soepel langs het lichaam vallen. En dat bleek een verademing voor de meeste vrouwen, die in 1907 nog strak in het korset geregen werden.

Analoog aan de Empire-stijl mengde Fortuny een eigentijds 'terug-naar-de-natuur'-gevoel met klassieke vormen. Zijn ideeën sloten zowel aan bij de Reformbeweging als bij de schilderijen van Sir Lawrence Alma-Tadema en Gustav Klimt. Belangrijker nog was dat hij de Parijse couturier Paul Poiret inspireerde tot een modelijn waarin het korset geheel en al verdween. Er klonk een wereldwijde zucht van opluchting. De Delphos viel op, zoveel was zeker. Beroemde en anti-conformistische vrouwen zoals de actrices Sarah Bernhardt en Eleonora Duse, en de danseressen Martha Graham en Isadora Duncan - die een miniatuur Delphos voor haar dochtertje bestelde - gingen maar al te graag in een Fortuny-jurk gekleed. Ook Gabriele D'Annunzio en Marcel Proust, die in zijn A' la Recherche du Temps Perdu zelfs rechtstreeks verwijst naar een Delphos, waren gefascineerd door de creaties van de Spaanse koning van de plooi.

In de jaren twintig brak Fortuny bij een groter publiek door. Hollywood-sterren als Lilian Gish, Dolores del Rio en Natasha Rambova, de vrouw van Rudolph Valentino, droegen zijn creaties zowel in als buiten de studio's. Illustraties van zijn jurken in Vogue maakten zijn ontwerpen tot 'gezonken cultuurgoed'. “Iedereen ging toen naar Fortuny”, weet Lady Bonham Carter, die nu op 80-jarige leeftijd nog steeds in haar Delphos rondloopt. “Ik denk dat iedereen die ik kende toen wel een jurk van hem droeg.”

Na zijn dood in 1949 werd Fortuny een legende. De beroemdste musea ter wereld begonnen als bezetenen zijn ontwerpen te verzamelen. Ook voor steenrijke vrouwen als Gloria Vanderbilt, Oona Chaplin, Tina Chow en Peggy Guggenheim werd de Delphos een gretig gezocht collector's item. Recente retrospectieven in Londen, Milaan en Lyon deden de interesse voor de Spaanse kunstenaar opnieuw herleven. De hedendaagse couturiers Hubert de Givenchy, Mary McFadden, Romeo Gigli, Issey Miyake en Karl Lagerfeld gaven hun ogen daarbij goed de kost.

Die laatste kopieerde in 1975 volgens sommigen Fortuny's Delphos schaamteloos voor zijn eigen collectie. Volgens eigen zeggen had Lagerfeld altijd al een zwak gehad voor 'de antiek gedrapeerde modellen, waarin de stoffen in hun originele staat behouden zijn, en waaraan niet geknipt en genaaid mag worden.' Kortom: de mode à la Grecque anno 1994 is weliswaar klassiek, maar dan wel Spaans gekruid.