Nieuwe onderklasse concurreert met in verval geraakte lagere middenklasse; Een dubbele integratiecrisis

Het valt helemaal niet mee. De opkomst mag dan zijn meegevallen, voor het overige is er sprake van een klein bloedbad. De kiezers hebben een slachting veroorzaakt onder de constituerende partijen van het naoorlogse Nederland. Een optimist zou zeggen: de politieke cultuur der bestuurlijke elite loopt op haar laatste benen, de jaren zestig zijn terug van weggeweest, alles ligt dus open, nu de confessionele politiek aan de rand bungelt. Een pessimist zou het anders formuleren: er tikt een tijdbom onder het bestel, de opmars van de anti-consensuspartijen zal in deze onzekere jaren negentig niet zo soepel zijn te smoren als in de progressieve jaren zestig nog kon. Want toen was het optimistische radicaliteit in de steden en negatieve radicaliteit op het platteland. Nu is het omgekeerd. En dat in een land dat de laatste decennia tot een soort stadsstaat is geürbaniseerd en dus steeds meer is aangewezen op sociale integratie. Mede daarom is de groei van de nieuwe nihilistsche partijen (Centrumdemocraten, Socialistische Partij) niet te vergelijken met die van D66, PSP, CPN en Boerenpartij dertig jaar geleden.

In Nederland rijst nu daarom wederom de vraag wat onze parlementaire democratie eigenlijk beoogt: is ze een managementmodel of een integratiemethode. Uiteraard hebben bestuur en maatschappij alles met elkaar te maken. Zij zijn elkaars conditio sine qua non. Maar een principiële benadering zou toch geen kwaad kunnen.

Die keuze lijkt meer en meer impliciet gemaakt te worden. En wel voor de parlementaire democratie als bestuurlijk model en niet als representatief model. Want dat er nu al zo lang over de BV en niet de NV Nederland wordt gesproken is geen toevallige metafoor. In deze beeldspraak verschuilt zich op zijn minst een geclausuleerd democratisch verlangen: de notie dat je in eigen, besloten, kring enigszins democratische verhoudingen nodig hebt én de wens om de deur naar de buitenwereld vervolgens met een knal dicht te gooien.

Die houding manifesteert zich echter niet alleen in het milieu waar men ervaring heeft met allerhande soorten vennootschappen. Er is inmiddels ook geestelijke pootaarde aangebracht. Hoewel Nederland de beroepsgroep als zodanig niet kent, is het circuit dat zich in andere landen met graagte intelligentsia zou noemen, de laatste tijd steeds drukker in de weer. Onder andere de opiniepagina van deze krant heeft deze vaderlandse intellectuelen ruimte geboden, de laatste maand zelfs via literaire commentaren op de politieke stand van zaken alhier. Het programma, dat hieruit de destilleren valt, lijkt gevarieerd. Er zijn cynici die te koop lopen met hun cynisme zolang het maar betaalt. Er wordt soms onbeschaamd gescholden alsof de rode gardisten/zwarthemden van de anti-consensus partijen ons nu al in de nek hijgen. Er duiken wel eens suggesties op om openbare volksvertegenwoordigers in het geheim hun werk te laten doen. Er zijn er die liever wegdromen in het verleden, toen de politici-zaliger zo veel kleurrijker en vooral krachtdadiger waren. En er wordt, bij wijze van samenvatting, bovenal gepleit voor de vorming van een nieuwe avant-garde die het land uit het moeras zou moeten trekken. Uiteraard zonder last te hebben van de maatschappelijke tradities, zoals een voorhoede betaamt. Maar er is één gemene deler. Een groot deel der (fictieve) intelligentsia is, uit afkeer van de formele politiek, zwanger van revolutionaire emoties en ambities.

Dit revolutionaire proces is nu ongeveer vijf jaar gaande en gaat inmiddels dwars door alle politieke stromingen heen. Centraal wapen in deze bestorming van de volksvertegenwoordiging is de legitimiteit van onze representatieve democratie geworden. De gedelegeerde mannen en vrouwen, die met ons mandaat aan het besturen zijn geslagen, zouden slechts namens de kleinst mogelijke minderheid van het volk mogen spreken. Een statistisch trucje (zoveel burgers zijn lid van een partij, zoveel zijn er actief bij de selectie van het politieke personeel, m.a.w. we worden geregeerd door 0,4 procent van onszelf) verschaft daarbij de bewijsvoering. Deze redenering heeft kunnen beklijven omdat het een kwantificering leek van een algemener maar helaas niet mathematisch te becijferen onbehagen.

Los van de sociologische vraag of dit quotiënt niet al te demagogisch tot stand is gekomen (de rekenmethode ontkent informele maatschappelijke invloedssferen), los ook van de historische vraag of 0,4 procent nu meer is dan een eeuw geleden of juist minder (niet onbelangrijk voor hen die oog zouden moeten hebben voor de continuïteit of breukpunten in de geschiedenis), is er met deze redenering ook een principiële vraag open gebleven: willen zij, die aan de aanval deelnemen, de burger nog wel als vrij beschouwen, wensen zij dat ene moment van gelijkheid eens in de vier jaar nog wel serieus te nemen?

Het heeft er alle schijn van dat het staatsburgerschap van de bevolking juist weer ontkend wordt. Alsof we spijt hebben van de genervositeit die in 1917/19 heeft geleid tot het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen. Alsof die concessie aan het volk - dat we ruim een halve eeuw onder controle hebben weten te houden doch thans buiten de oevers dreigt te raken omdat de vrije burger zich, in navolging van de oude elites, nu ook heeft losgemaakt uit de oude structuren van het verzuilde Nederland, slechts door opportunisme was ingegeven. Die 0,4 procent verschaft daarvoor de objectieve legitimiteit. Het is zelfs een “opluchting”.

Er is echter één probleem dat deze feestvreugde zou moeten verstoren. In de geest doen we sinds 25 jaar inderdaad heel individualistisch en dus liberaal. Voor het eerst sinds 1917 stevenen de liberale partijen dit jaar af op maar liefst 35 procent van de stemmen. Tot nu toe zijn ze nooit verder gekomen dan 30 procent (in 1981). Maar de maatschappelijke basis van het ogenschijnlijk ontzuilde Nederland spoort daar bij lange na niet mee. Met andere woorden: we hebben onze integratiemodellen overboord gezet, zonder ons rekenschap te geven van de mogelijkheid dat er nieuwe sociale onderklassen zouden kunnen opduiken die de consensus zouden kunnen gaan bedreigen of dat er nieuwe elites zouden kunnen opstomen met wensen die eveneens haaks staan op de status-quo.

En dat laatste fenomeen dient zich medio jaren negentig onmiskenbaar aan. Aan de top van de maatschappelijke piramide steekt de voorhoede die nu de hand legt aan de technologische mediarevolutie, de kop op. Ze zijn tegen elke vorm van regulering en daarmee nog liberaler dan Adam Smith, niet in de laatste plaats omdat het in hun belang is. Hun integratie voltrekt zich derhalve min of meer geruisloos. Hooguit het huidige politieke personeel van CDA en PvdA heeft er door het succes van D66 en VVD last van.

Aan de onderkant daarentegen voltrekt zich een paradoxale tweedeling. Er is zich een nieuw proletariaat aan het ontwikkelen, een klasse die bovendien ook nog eens gekleurd is en dus zowel in sociaal-economisch opzicht als in culturele zin als een bedreiging wordt ervaren door die groepen die net een generatie eerder zijn geëmancipeerd. Tot de jaren zeventig zorgden de sociaal-democraten of katholieken voor de integratie in deze lagen. Nu is er niemand voorhanden. Tegelijkertijd is de lagere middenklasse aan haar maatschappelijke degradatie begonnen. Niets is, zoals bekend, erger dan zo'n vorm van verval. Ze stimuleert een vorm van defensief gedrag dat de elders zo noodzakelijke maatschappelijke dynamiek kan gaan verstoren. Tot nu toe hebben we in Nederland nimmer een democratische politieke stroming gehad, die deze emoties kon kanaliseren. De onweerstaanbare economische groei deed het voor ons. Dat perspectief ontbeert Nederland nu. Het zijn weliswaar merendeels oudere burgers, maar onder de jeugd dient zich een ideologische voedingsbodem aan die ook niet zonder historisch precedent is. Die voedingsbodem is Europees, blank, christelijk en autoritair. Het sentiment is gebaseerd op wraak jegens de yups die de laatkomers in de jaren tachtig hebben verraden. En wraak is vaak een krachtig motief.

Dit is de dubbele integratiecrisis waarmee Nederland zich geconfronteerd ziet. Als zich dat via de stembus etaleert, kun je natuurlijk “balen als een stekker” of “je gegriefd” voelen. Maar het enige serieuze antwoord ligt bij de politieke partijen die het bestel altijd hebben geschraagd. Er zijn in de Nederlandse traditie nu eenmaal geen andere integrerende formaties beschikbaar, alle hypnotiserende voorspellingen van holisten in de politiek ten spijt. Want doodgravers komen maar één keer in je leven langs. Als het te laat is.

    • Hubert Smeets