MOORD IN AMERIKA

President Clinton heeft de strijd tegen het geweld aangebonden. Er komen 100.000 agenten bij en er worden aan de lopende band nieuwe gevangenissen gebouwd. Amerika wil de golf van geweld stoppen.

Maar is er een golf van geweld? De cijfers wijzen daar niet op. Wel verandert het geweld. De daders worden steeds jonger, het zijn steeds vaker zwarten en het gaat om drugs.

De oorzaak is de verpaupering van de Amerikaanse binnensteden.

'Het probleem van gewelddadigheid is een Amerikaans probleem. Partijdigheid is niet op z'n plaats en er zitten geen filosofische aspecten aan. Daarom verlang ik van U dat U partijbelangen onmiddellijk terzijde schuift en terstond een krachtige, uitgekiende en onverzettelijke Wet op de Misdaad aanneemt'.

President Bill Clinton deed bij zijn jaarlijkse State of the Union een oproep aan het congres om zijn Crime Bill in volle omvang te accepteren. De Crime Bill omvat heel wat: in de komende vijf jaar worden 100.000 nieuwe politiemensen aangesteld; de produktie van negentien verschillende soorten militaire vuurwapens wordt verboden; de strafmaat voor een reeks delicten wordt verhoogd; er worden op federaal niveau gedragingen strafbaar gesteld die nu alleen in individuele staten verboden zijn; het aantal delicten waarvoor men de doodstraf kan krijgen, wordt tot vijftig opgetrokken. De maatregel die het meeste aandacht heeft getrokken is het invoeren van levenslange gevangenisstraf voor wie drie keer is veroordeeld wegens een ernstig geweldsdelict. Er worden fondsen beschikbaar gesteld voor het bouwen van nieuwe huizen van bewaring, van kampementen, van lichte en gemiddeld zwaar beveiligde gevangenissen, van streng bewaakte gevangenissen voor minderjarigen die voor agressieve misdrijven zijn veroordeeld. De strijd tegen de drugs wordt opgevoerd door subsidies beschikbaar te stellen voor het doen testen van werknemers. Het wordt gemakkelijker om de topfiguren uit de drugshandel ter dood te veroordelen. De federale wetgeving gaat zich tenslotte ook bemoeien met de strijd tegen jeugdbendes, iets dat tot dan toe aan de afzonderlijke staten was toevertrouwd.

Clinton heeft zich voorgenomen om de misdaad een vernietigende slag toe te brengen en al deze innovaties worden met aplomb gebracht. Maar deze maatregelen zijn helemaal niet nieuw of origineel. Ze passen in het toenemend punitieve strafklimaat zoals zich de afgelopen vijftien jaar lang heeft ontwikkeld. Het betekent geen breuk met de politiek conservatieve koers van de Republikeinen Reagan en Bush, maar een regelrechte voortzetting. Het strafrecht is in de jaren daarvoor al tot ongekende proporties opgeblazen.

Internationaal gezien hebben de Verenigde Staten veruit de meeste gevangenen per 100.000 inwoners: in 1991 waren dat er 426. Zuid-Afrika (ook een schrikbeeld) had er toen 336, in de Sovjetunie zaten 268 inwoners per honderdduizend in de gevangenis en dat waren er toen in Nederland 42.

De curve van het aantal gedetineerden in Amerika loopt snel op. Twintig jaar geleden kwamen er per jaar 50.000 nieuwe gevangenen bij. Tien jaar geleden was hun aantal al vier keer zo groot: er komen per jaar 200.000 bij. En deze trend zet zich door.

In vrijwel alle staten en in iedere grotere stad is men bezig nieuwe gevangenissen te bouwen. De gevangenissen zijn propvol, gedetineerden slapen niet zelden in de recreatiezaal en de Nederlandse norm van één mens per cel is een onvoorstelbare luxe.

Deze gevangenen zijn in toenemende mate minderjarigen. De populaire overtuiging luidt dat het slappe kinderrecht goeddeels verantwoordelijk is voor de sterk toegenomen jeugdcriminaliteit. Een jarenlange druk om de leeftijdsgrens waarboven men strafrechtelijk kan worden aangesproken, omlaag te brengen heeft ertoe geleid dat kinderen nu al op veertien- en vijftienjarige leeftijd tot levenslang worden veroordeeld. Er zitten thans jongens te wachten op een doodvonnis voor een daad die ze pleegden toen ze nog geen zestien jaar oud waren.

De doodstraf wordt trouwens in het algemeen veel vaker uitgevoerd. Er wordt druk uitgeoefend om het aantal malen dat veroordeelden in hoger beroep kunnen gaan om de doodstraf te betwisten, terug te brengen. Nieuw is dat nu ook politici van linkse signatuur zich openlijk voor de doodstraf uitspreken.

Versterking van de politie is ook al niets nieuws. De patrouillerende politiemacht is gestaag gegroeid en wordt aanzienlijk ruimere bevoegdheden toegestaan om verdachten op te sporen en te arresteren. De ondermijning van de rechten van verdachten wordt gelegitimeerd met de 'oorlog tegen drugs' en in Washington D.C. is een speciale politie-eenheid opgericht die bevoegd is om mensen die, naar 'hun uiterlijke verschijning te oordelen' een vuurwapen bij zich zouden kunnen dragen, staande te houden en te fouilleren.

Grootscheepse politieacties ('clean and sweep') richten zich op verpauperde publieke woningbouwprojecten in steden zoals Chicago. In deze stad werd onlangs voorgesteld om de ouders van kinderen die spijbelen op school, te straffen door ze uit huis te zetten. In veel steden is dit bij drugsdealers al heel gewoon - het gezin van een verdachte dealer wordt gewoon de woning uitgezet.

'Nu het al zover is dat onze kinderen door een metaaldetector moeten gaan om de school binnen te gaan (...) en als ouders in hun eigen woningen gevangen zitten achter hun gesloten deuren, dan hebben we een belangrijk onderdeel van onze beschaving verloren' vond Clinton afgelopen november toen hij zijn Wet op de Misdaad aankondigde. Er heerst over de feiten en hun oorzaken in de Verenigde Staten een opmerkelijke consensus: de gewelddadigheid is ongekend hoog en de maat is vol. De talk shows stellen het in felle bewoordingen aan de orde, in de politieke wandelgangen uit men zich ingetogener en voor 'John Q. Public' geldt het als maatschappelijk probleem nummer één.

De schokkendste voorvallen worden een paar maanden nadat zij in het echt zijn voorgevallen, op de televisie in een 'docudrama' nog eens overgespeeld. Je kunt geen weekblad open slaan of het bevat lange artikelen over 'jeugdgewelddadigheid' en over geweld 'in de binnensteden' (inner city is een codewoord voor 'zwart').

In een enquête onder kinderen tussen de 10 en 17 jaar over de vraag waarvoor zij in hun leven het bangst waren, antwoordde de meerderheid dat ze vreesden dat een familielid slachtoffer zou worden van geweld (Newsweek 22 nov.). Dit boezemde hun meer vrees in dan de kans dat ze werkloos zouden worden.

De burgers geven handenvol geld uit om zich te beveiligen. Er is door de National Institute of Justice berekend dat er bijna twee maal zoveel geld wordt uitgegeven aan preventieve maatregelen dan aan het politie- en justitieapparaat bij elkaar; bij particuliere bewakingsdiensten zijn tweëeneenhalf maal zoveel mensen werkzaam als bij politie en justitie.

De rijken kruipen weg achter elektronische apparatuur en voorzien zich van body guards. De armen nemen hun toevlucht tot driedubbele sloten op de deur en de waakhond. Veel mensen gaan de deur niet meer uit zonder een fluitje, een spuitbus met gas (mace), een vuurwapen of een mes op zak. Voorheen waren scholieren in de binnensteden zo angstig dat ze een wapen droegen, nu gaan ook veel kinderen in welvarende voorsteden niet zonder vuurwapen naar school.

Iedereen lijkt het er over eens: Amerika doorstaat een golf van geweld, ongeëvenaard in zijn geschiedenis. Slechts weinigen durven zich in zo'n klimaat openlijk af te vragen of het echt levensgevaarlijk is geworden op straat, in huis, op school, in de fabriek en op kantoor. Wie stelt dat deze 'epidemie van geweld' is opgeblazen door de media en zich openlijk afvraagt of al de nieuwe strafrechtelijk maatregelen werkelijk nodig zijn, loopt kans zich belachelijk te maken.

Moord, doodslag, verkrachting, mishandeling en roofovervallen gebeuren overal op de wereld, maar het is waar dat de harde criminaliteit in de Verenigde Staten een veel omvangrijker probleem is gebleken dan in vergelijkbare landen.

De Amerikanen zijn getuige van een opwindende reeks seriemoordenaars en massamoordenaars. Een immigrant uit Jamaica heeft afgelopen december zijn vuurwapen geleegd op de reizigers in de ondergrondse van New York. Resultaat: zes doden en 23 gewonden. Vijftien jaar terug vermoordde John Wayne Gacy in Chicago 33 jongens en mannen in zijn kelder. Iedere Amerikaan kan de namen noemen van David Berkowitz ('Son of Sam'), Ted Bundy, de 'Hillside Strangler'. Minder spectaculair maar even angstaanjagend zijn de schijnbaar redeloze moordpartijen op de werkplek - in 1992 was moord zelfs de op een na belangrijkste reden waarom mensen op hun werk overlijden. In dat jaar schoot een gekrenkte student op het terrein van de Universiteit van Iowa drie professoren, een secretaresse en twee medestudenten dood. In 1993 maakte een postbode met enkele schoten een einde aan het leven van zijn opzichter en enkele collega's.

Ofschoon dergelijke moorden het publiek panische angst inboezemen, blijft de kans dat de doorsnee burger van zoiets het slachtoffer wordt miniem. In de statistieken vinden ze geen weerslag. Hiervoor zijn juist de weinig opzienbarende 'gemiddelde moorden' veel belangrijker. Kenmerkend scenario: een stel jonge mannen (opgegroeid in een cultuur van verplichte agressiviteit) doden de tijd in een bar of op een straathoek en wachten tot er iets gebeurt. Er worden alcohol en drugs gebruikt. Er gebeurt dan ook iets - reden voor onenigheid is vaak een kleinigheid. Iemand haalt een vuurwapen voor de dag en dan ligt er opeens iemand dood op de grond. Dit type alledaagse geweld bepaalt de statistiek van moord en doodslag.

Die statistiek is inderdaad spectaculair. Volgens gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie werden er in 1980 10,5 moorden gepleegd per 100.000 inwoners van de VS tegen 1,4 per 100.000 in Europa. Interpol gaf in 1984 voor Nederland een cijfer van 1,2 - dat was 6 maal lager dan in Amerika.

Hoewel je met misdaadcijfers altijd moet oppassen - ze weerspiegelen de bereidheid van de bevolking om aangifte te doen en de wijze waarop politie en justitie die aangiftes registreren - die over moord en doodslag zijn redelijk betrouwbaar en lenen zich veel beter voor directe vergelijking dan gegevens over andere delicten zoals berovingen en verkrachting. Er is dan ook niemand die eraan twijfelt of er worden in Amerika buitengewoon veel geweldsdelicten gepleegd en dat is al tientallen jaren het geval.

President Clinton verdedigt zijn Crime Bill met het argument dat de gewelddadigheid plotseling sterk is toegenomen. De gevangenisbevolking is gegroeid omdat de criminaliteit zo is gestegen. Dit is het beeld dat het dagelijks leven van de Amerikanen beheerst. Maar is dit beeld ook juist?

Beoefenaren van de sociale wetenschappen krijgen vaak te horen dat je met statistiek allerlei leugens kan vertellen. Dat is grotendeels onzin: statistiek levert het begin van inzicht en leent zich voor confrontatie met andere gegevens en andere indelingen van cijfers. Een handige onderzoekster of beleidsambtenaar kan ze natuurlijk wel slim groeperen als zij hun publiek van de urgentie van een bepaald probleem wil doordringen.

De truc is een slim basisjaar voor je berekeningen te kiezen. Zo stelt het recente federale overheidsrapport Crime in the United States 1992 naar aanleiding van een tabel die centraal staat in het betoog dat deze 'een nationale toename te zien geeft van gevallen van moord in de periode van 1988 tot 1992 van 15 % en gemeten over de tien jaar was het totaal 23 % boven het niveau van 1983.'

Over die cijfers valt op zichzelf niet te twisten: er vindt meer dodelijk geweld plaats dan tien jaar geleden. Maar over een langere tijdsperiode gemeten, ziet het beeld er iets minder eenvoudig uit. Tussen 1964 en 1972 verdubbelde zich het aantal moorden dat ter kennis kwam van de politie en het aantal liep tot 1980 op tot niet minder dan 21.860 geregistreerde moorden in één jaar.

In de jaren tachtig liep dit aantal evenwel enigszins terug. In 1990 was het cijfer nog ongeveer op het niveau van 1980 (20.045). In 1991 steeg het weer fors (tot 24.703), maar in 1992 nam het weer af (23.760). Deze cijfers zijn absoluut en houden geen rekening met de toename van de bevolking. Doet men dat wel dan is het aantal moorden (per 100.000) tussen 1980 en 1992 zelfs afgenomen (van 10,2 per 100.000 in 1980 tot 9,3 in 1992).

De algemene opinie dat het niveau van dodelijk geweld plotseling drastisch is toegenomen, wordt dus maar ten dele door de feiten gesteund. In de tien jaar daarvóór is wel sprake geweest van een flinke sprong omhoog, in het afgelopen decennium is er over de hele periode genomen hoogstens sprake van een langzame stijging. Of er nu 8,2 moorden worden gepleegd per 100.000 inwoners zoals in 1983, 9,7 in 1991, of 9,2 in 1993: wat is het grote verschil?

Deze cijfers zijn uitvoerig gepubliceerd, maar het is kenmerkend voor de sfeer in Amerika dat ze eenvoudigweg niet worden geloofd. Een typische reactie op de zojuist gepubliceerde statistiek is deze glashard te ontkennen. Dennis R. Martin, voorzitter van de Nationale Vergadering van Politiechefs, stelt eenvoudig: 'Heel wat politiebureau's vervalsen hun cijfers zoveel als nodig is om hun buurten veiliger te doen lijken (...) We wilden maar al te graag dat die statistiek waar is. Maar de feiten zijn dat misdaad in dit land blijft toenemen.'

In een televisieprogramma begin januari waarbij voorbijgangers om hun oordeel werden gevraagd, gaven deze zonder uitzondering te kennen dat ze de nieuwste statistieken volstrekt ongeloofwaardig vonden. Hoe is dit te verklaren? Is er eigenlijk niets aan de hand en zouden de Amerikanen er beter aan doen om een andere krant te lezen, zoals de Leidse criminoloog Nagel mensen placht aan te raden die door angst over de toenemende criminaliteit waren bevangen?

De grote verandering zit niet in de toename, maar in een verandering van het karakter van de Amerikaanse criminaliteit. Er zijn eigenlijk drie veranderingen. Ten eerste wordt dodelijk geweld nu veel vaker gepleegd door jongere daders met vuurwapens, al dan niet opererend als lid van een 'bende'; ook de slachtoffers zijn jonger.

Ten tweede speelt de gewelddadigheid zich in toenemende mate af in woningbouwprojecten van de overheid en neemt vooral de betrokkenheid van de zwarte bevolking daarbij toe; dat geldt voor zowel de slachtoffers als de daders. Ten derde gaat het in toenemende mate om moorden die te maken hebben met drugs.

Volgens de FBI statistieken is het aantal arrestaties van minderjarigen (onder 18) voor moord met 85% toegenomen tussen 1987 en 1991 (tussen 1982 and 1991 was er een toename van 92.7%).

Arrestaties voor Moord of Doodslag (per 100,000 mannen)

Leeftijd 1985 1991 toename

In 1991 werden meer dan 2200 kinderen vermoord onder de achttien. Ongeveer dertig procent van die jeugdige slachtoffers viel door de hand van een dader die zelf ook nog geen achttien was. Sinds 1986 is het aantal kinderen dat door een kogel om het leven is gekomen, met 144% toegenomen (vergeleken met een toename van 30% bij volwassenen). Nationale slachtofferstudies tonen duidelijk aan dat de kans om slachtoffer van een geweldsmisdrijf voor jeugdigen is gestegen, terwijl de kans voor oudere leeftijdscategorieën juist omlaag is gegaan.

Geweld is zozeer een zwarte aangelegenheid geworden dat het voor de autoriteiten van de Volksgezondheid is uitgeroepen tot 'probleem nummer één' voor die groep. Ofschoon niet meer dan twaalf à dertien procent van de Amerikaanse bevolking zwart is, bedraagt het aantal bekende zwarte daders en ook het aandeel van de slachtoffers meer dan de helft!

Onder blanke Amerikanen neemt het aantal slachtoffers van alle vormen van geweld af: in 1973 vielen onder blanken 31 slachtoffers per duizend, in 1992 waren dat er iets minder dan 30. Maar onder zwarten loopt het cijfer scherp op: van 42 per duizend in 1973 tot meer dan 50 per duizend in 1992. Het absolute aantal vermoorde zwarten ligt zelfs hoger dan dat van blanken.

Dat die moord en doodslag een interne aangelegenheid zijn blijkt uit het gegeven dat zwarten meestal vermoord worden door zwarten (zelfs 94 procent van alle zwarte slachtoffers) en blanken door blanken (83%). De zwarte slachtoffers worden ook steeds jonger: vielen de meeste slachtoffers in 1980 nog in de leeftijdsklasse van 25 tot 34 jaar, thans is de klasse onder de 24 het grootste. Van zwarte jongeren beneden de 24 worden er per jaar 159 vermoord per 100.000, voor blanke jongeren is dat cijfer niet hoger dan 17.

De belangrijkste oorzaak van de toename van 'black-on-black violence' is de handel in drugs. De uiterst repressieve benadering van het drugsprobleem heeft geleid tot 'structureel geweld': het afbakenen van handelsgebieden geeft aanleiding tot voortdurende territoriale gevechten in de zwarte getto's. Het geweld manifesteert zich openlijk in 'drive by shootings' waarbij vanuit een rijdende auto wordt geschoten. In Los Angeles overleden in 1991 niet minder dan 1548 mensen bij zo'n actie.

Op dit moment staat bijna een kwart van alle zwarte jongemannen onder justitieel toezicht: in de gevangenis, voorwaardelijk in vrijheid gesteld of onder controle van de reclassering. Er zitten meer zwarte jongemannen in de gevangenis dan er een voortgezette opleiding volgen. De helft van alle gedetineerden is zwart.

Helpen doet dit allemaal niet. We kunnen in dit opzicht alle honderden wetenschappelijke studies over gevangenisstraf samenvatten. (1) Het idee van speciale preventie (door dreiging met gevangenisstraf zal men niet recidiveren) werkt in de praktijk nauwelijks. (2) Generale preventie (de dreiging met straf zal anderen van misdaad weerhouden) is al evenmin aangetoond.

Het absolute minimum dat bij de voorstanders van gevangenis dan nog rest, is te wijzen op het effect van het tijdelijk onschadelijk maken, want voor de termijn die ze achter slot en grendel zitten kunnen ze althans niets doen. Maar ook dat blijkt al niet waar. Het risico om binnen de gevangenis te worden vermoord is even groot als daarbuiten: in 1990 vermoordden gevangenen 65 maal andere gevangenen en dat levert op een totaal van 740.000 gevangenen ongeveer 9 per 100.000 op.

De vraag blijft: als de last van de criminaliteit en de straf door de minderheid van de zwarte onderklasse wordt gedragen, waarom is dan de hele Amerikaanse bevolking zo geobsedeerd door het geweld? De kans voor de blanke meerderheid om er zelf mee te maken te krijgen is niet groot en eerder af- dan toegenomen.

Als je Amerikanen vraagt wat de boosdoeners zijn van de huidige gewelddadigheid dan spuiten ze op: drugs, guns en geweld op de media. Op drugs wordt vrijwel uitsluitend repressief gereageerd. Voor preventie is veel minder geld beschikbaar. In Clintons met veel tamtam aangekondigde voorstel tot hervorming van de gezondheidszorg is behandeling van verslavingsziekten niet opgenomen. Toen de minister van volksgezondheid Josselyn Elders onlangs voorzichtig opperde de mogelijkheid van het legaliseren van drugs althans te bestuderen, werd van alle kanten om haar ontslag geroepen. Ondanks een zekere verzachting van de retoriek onder democratisch bewind, maakt men geen aanstalten om de oorlog tegen de drugs te beëindigen.

Van de tweede oorzaak, het geweld op de media, kan men hoogstens zeggen dat de deskundigen het nog niet met elkaar eens zijn of er oorzakelijk verband bestaat tussen geweld in de media en agressief gedrag. Intuïtief voelt men aan dat niet de aflatende blootstelling aan een cultuur die geweld verheerlijkt, op den duur wel een ongewenst effect moet hebben. Talloze groepen ijveren om de vermaakindustrie aan banden te leggen. Minister van Justitie Janet Reno is een campagne begonnen om televisie en film aan strenge richtlijnen te onderwerpen. Tipper Gore, echtgenote van de vice-president, heeft een organisatie opgericht die zich beijvert om waarschuwingen verplicht te stellen op gewelddadige cassettebandjes en cd's. Enkele radiostations draaien sinds kort geen muziek meer waarin geweld en vrouwenhaat wordt uitgedragen, bij voorbeeld de rap songs van 'Gangsta Rappers'. De fabrikanten van videospelletjes geven op de verpakking aan hoe gewelddadig die inhoud is. De grote televisiemaatschappijen hebben zojuist ingestemd met het voorstel van de kabelstations om het niveau van geweld door een commissie laten beoordelen.

Voor een publiek dat gewend is aan z'n dagelijkse portie lijken en bloed zal het nieuwe dieet niet meevallen en de kans dat dit echt doorzet in een land waar de vermaakindustrie een machtige belangengroepering vormt, lijkt niet groot.

De guns: wat hebben vuurwapens met geweld te maken? Deze vraag, die op het eerste gezicht eenvoudig te beantwoorden lijkt, vereist toch een gecompliceerd antwoord. Er zijn natuurlijk geen geleerde onderzoekers voor nodig om vast te stellen dat er een direct verband bestaat tussen vuurwapens en het aantal agressieve delicten dat met een vuurwapen gepleegd wordt. Toch is het hebben van een vuurwapen alleen niet voldoende om de hogere geweldsmisdaad in de VS te verklaren. Lang niet alle moorden in de VS worden met een vuurwapen gepleegd. Als men de moorden gepleegd met een vuurwapen aftrekt van het totaal, ligt het Amerikaanse cijfer toch nog hoger dan dat van Nederland.

Volgens de beste schattingen zijn er nu meer dan 200 millioen vuurwapens in omloop (waarvan 67 millioen pistolen in het bezit van burgers). Elk jaar worden er meer dan 640.000 geweldsmisdaden gepleegd met een pistool. Jaarlijks overlijden er meer dan 38.000 Amerikanen ten gevolge van de kogel (in meer dan de helft betreft het zelfmoorden).

Als onderdeel van de 'oorlog tegen het geweld' wordt er de afgelopen anderhalf jaar steeds meer gestreefd naar strengere regulering van het bezit van vuurwapens. Voor het eerst in de geschiedenis kunnen nu ook de meeste conservatieve politici 'gun control' steunen zonder bang te zijn om de steun van hun achterban te verliezen.

De huidige politieke strijd om het wapenbezit te beperken heeft een dubbel effect - 'uit een verschrikkelijke misdaad komt zowel het verlangen naar vuurwapenbeheersing voort als het verlangen naar wapens' schrijft Time. Een goed voorbeeld vormt Californië. In opinieonderzoekingen werd aangetoond dat 45 procent van de bewoners van Californië een verbod op alle pistolen steunt, maar - het onderzoek vond plaats in de maanden na de rellen in Los Angeles - tegelijkertijd nam ook de verkoop van pistolen met 45 procent toe.

Nadat het Congres in november de Brady Bill goedkeurde (een voorstel ter invoering van een verplichte wachttijd van 5 dagen voordat men een vuurwapen kan aanschaffen), is de verkoop van vuurwapens overal toegenomen. Benauwd dat het binnenkort onmogelijk zal zijn om vuurwapens te bemachtigen, melden dagelijks zo'n 1500 nieuwe leden zich aan bij een van de machtigste belangengroeperingen, de National Rifle Association. In 1991 was die goed voor 2,5 miljoen leden; in 1993 telde deze schietclub er al bijna 3,3 miljoen.

Er worden ook initiatieven genomen om het aantal in omloop zijnde vuurwapens te verminderen. Enkele steden hebben een 'amnestie programma' ingevoerd waar men illegale wapens kan inleveren zonder vrees voor straf. Steeds populairder zijn zogenaamde 'swap programs' waar men vuurwapens kan omruilen tegen betaling, tegoedbonnen voor speelgoed (rond kerstmis), kaartjes voor football-wedstrijden of tegoedbonnen voor kruidenierswaren of sportschoenen.

Amerikanen zien zich zelf graag als representanten van een pragmatische cultuur. Maar zij zijn juist in hoge mate moraliserend. Dit blijkt uit de 'oorlog tegen drugs' (gebruikers worden afgeschilderd als morele zwakkelingen), uit het verbod op prostitutie, het beleid op het gebied van alcohol. De staat wordt als zedenmeester niet alleen aanvaard, maar juist aangemoedigd. Prominenten leggen steeds meer nadruk op het 'morele verval' van Amerika, op het verlies van familiewaarden. Blank en zwart zijn het hier volledig over eens.

Zo'n referte naar 'moreel verval' als oorzaak van criminaliteit is tautologisch. Het verklaart alles en niets en kan niet worden gesteund door wetenschappelijk onderzoek. Dergelijke morele argumenten weerspiegelen wanhoop, ze vormen een bekentenis van zwakte.

Waar deze morele herbewapening jammerlijk te kort schiet is dat het het wezenlijke probleem van de tweedeling van de Amerikaanse samenleving niet raakt. De groei van een zwarte en latino onderlaag; het verval van woningbouw die aan de Derde Wereld doet denken; het groeiende leger van daklozen; de veroudering van de scholen; de reusachtige werkloosheid van zwarte jongeren; de toename van het aantal alleenstaande kindmoeders dat van de bijstand afhankelijk is.

Het verwijzen naar dergelijke grote structurele problemen wordt beschouwd als halfzacht linksisme, en wordt afgedaan als het werkelijkheidvreemde denken van sociale wetenschappers die in de afgelopen jaren de kans kregen om de samenleving te verbeteren - en die die kans hebben verbruid. Om het te zeggen met de aartsconservatieve econoom Thomas Sowell: 'Destijds bestond er wellicht nog een excuus voor de theorieën waarin we in de jaren zestig geloofden. Maar thans hebben we tientallen jaren ervaring die ons leerd dat alle uitgebreide en kostbare sociale programma's die gericht waren op de 'wortels' van de misdaad, alle inspanningen tot 'rehabilitatie' en andere 'alternatieven voor gevangenisstraf' die zoveel misdadigers vrij op straat laten rondlopen, precies het omgekeerde effect hebben dat de zelfingenomen linkse academici en ambtenaren hebben verwacht en voorspeld.'

Zijn er dan helemaal geen tegengeluiden meer? Jawel, die zijn er in Amerika altijd. Een redactioneel commentaar in The New Yorker van 14 januari zegt: 'Dit antwoord van onze politieke leiders op de steeds verdergaande sociale wanorde is, ondanks z'n aansprekelijke flinkheid, volstrekt ineffectief. Het heeft eerlijk gezegd de smaak van een ritueel, van bange tovenarij. Het schuift de problemen opzij in plaats van ze onder ogen te zien en dat gebeurt in de hoop dat ze ergens in een zwaar kaliber brandkast worden opgesloten. Het is politiek in de slechtste zin van het woord: opportunistisch, kortzichtig en slechts gericht op eigenbelang.'

Een dergelijk kritisch geluid vindt evenwel weinig weerklank in het huidige politieke klimaat van Amerika waar arm en rijk, blank en zwart, Republikeinen en Democraten het eens zijn over de therapie: alleen door morele herbewapening en verharding van het strafrechtelijke optreden, kan een einde worden gemaakt aan het zinloze geweld in de binnensteden.

Arrestaties voor Moord of Doodslag (per 100.000 mannen)

Leeftijd/1985/1991/toename

13-14 jaar/ 4.0/ 9.6/ 140%

15 jaar/ 11.8/ 37.4/ 217%

16 jaar/ 22.4/ 57.7/ 158%

17 jaar/ 34.5/ 76.1/ 121%

18-20 jaar/ 41.8/ 89.0/ 113%

21-24 jaar/ 39.0/ 54.7/ 40%

25-29 jaar/ 30.4/ 31.2/ 3%

30-34 jaar/ 22.3/ 21.5/ -4%

    • Ineke Haen Marshall
    • Frans Bovenkerk