Leeftijdsdiscriminatie

Briefschrijver drs. Reestman voert terecht de sterke argumenten voor flexibele pensionering aan (NRC Handelsblad, 18 februari), tegenover de stelling dat 65 jaar een algemeen aanvaarde leeftijd voor pensionering is.

Dat de grens van 65 jaar ook voor de wetgever niet absoluut is, bewijst de leeftijdsgrens van zeventig jaar voor de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie bij de Hoge Raad, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer, alsmede het ontbreken van elke leeftijdsgrens voor politieke ambtsdragers (gekozen volksvertegenwoordigers), die een pensioen genieten dat niet flexibeler zou kunnen zijn. De wetgever veronachtzaamt deze leeftijdsgrens van zeventig jaar echter zelf weer. Zo is volgens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet iemand wiens dienstverhouding is ingegaan op of na het tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt geen ambtenaar in de zin van deze wet. In zulke gevallen - die theorie lijken, maar voorkomen - bouwt men hierdoor tot zijn zeventigste geen pensioenrecht op. Degeen die na zijn zestigste verjaardag een ambtelijke betrekking aanvaardt met zijn 65ste verjaardag als ontslagdag, bouwt over dezelfde korte duur wél pensioenrecht op. Zo wordt uitdrukkelijk de eerste groep gediscrimineerd tegenover de tweede groep.