Landelijk examen voor arts

ROTTERDAM, 3 MAART. De opleiding tot arts dient aan de acht medische faculteiten aan dezelfde normen te gaan voldoen. Er moet ook een landelijk afgenomen artsexamen komen. Dat leidt tot betere kwaliteit van de opleiding en van het artsexamen, de onderlinge verschillen tussen de faculteiten worden kleiner en de vergelijkbaarheid met de opleidingen in het buitenland groter.

Dit schrijft de commissie die in opdracht van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten eindtermen voor de artsopleiding heeft opgesteld. Het rapport van de commissie, 'Raamplan 1994 Artsopleiding', is onlangs aan de opdrachtgever aangeboden. Landelijk geldende eindtermen komen aan de Nederlandse universiteiten vrijwel niet voor, landelijke examens helemaal niet.

De commissie werd in 1991 ingesteld nadat uit onderzoek was gebleken dat de klinische vorming van net afgestudeerde artsen veel te wensen overliet door onvoldoende opleiding van de co-assistenten. Ook sloot in veel gevallen de vervolgopleiding tot huisarts of specialist slecht op het artsexamen aan. De eisen die deze opleidingen aan de basisopleiding tot arts stelden waren nauwelijks bekend. Bovendien werd de manier waarop aan de verschillende faculteiten de co-assistent wordt geëxamineerd scherp bekritiseerd.

In het Raamplan zijn de gemeenschappelijke eindtermen van de Nederlandse artsopleiding geformuleerd. Aan deze opleidingseisen moet iedere arts voldoen, ongeacht de faculteit waaraan hij heeft gestudeerd of voor welke vervolgopleiding hij kiest. Om de beoogde kwaliteitsverbetering te kunnen realiseren is onderwijskundige scholing van de docenten volgens de commissie een 'onmisbare voorwaarde'.

De commissie onderscheidt de eindtermen in verschillende groepen: die welke betrekking hebben op de medische aspecten van de kennis, vaardigheden en attitudes van de arts en die welke betrekking hebben op de wetenschappelijke, de persoonlijke en de maatschappelijke aspecten van de beginnende arts.

Het kerncurriculum bestaat daarnaast uit de opleidingseisen waarvan vertegenwoordigers van elf disciplines vinden dat de arts daaraan bij zijn examen moet voldoen. De commissie baseert de keuze van deze elf (van de ongeveer dertig) medische disciplines op het gegeven dat in tenminste zes van de acht faculteiten co-schappen in deze vakken verplicht zijn. Volgens haar moet in de curricula meer aandacht worden besteed aan de maatschappelijke en persoonlijke vorming van de toekomstige arts.

Of het mogelijk is aan de nu geformuleerde eindtermen te voldoen binnen de zes jaar die de medische opleiding tot het artsexamen tot haar beschikking heeft laat de commissie in het midden. Dat vergt nader onderzoek, zo schrijft zij. Overigens wijst de commissie erop dat haar eindtermen slechts betrekking hebben op dat deel van de opleiding dat betrekking heeft op de latere beroepsuitoefening.

Daarnaast heeft de faculteit de mogelijkheid om dertig procent van de beschikbare opleidingstijd (ongeveer drieduizend van ruim tienduizend studie-uren) te besteden aan keuzevakken. Het kerncurriculum voldoet ook aan de eisen die de Europese Unie aan de artsopleiding stelt: zes studiejaren of 5.500 uren theoretisch en praktisch onderwijs.