Jip en Janneke

De achteruitgang van het CDA dient voor ieder weldenkend mens aanleiding te zijn tot ernstige zorg. Weliswaar gaat het nog slechts om gemeenteraadsverkiezingen en opiniepeilingen, maar de zaak is toch serieus genoeg om er aandacht aan te besteden.

Hoe is dit probleem ontstaan? Het is duidelijk dat wij hier in de eerste plaats te maken hebben met een uiting van mauvaise humeur, van een zekere nukkigheid en zenuwachtigheid over het feit dat de geliefde leider verdwijnt en plaatsmaakt voor een nieuwe. Die nieuwe doet weliswaar enigszins denken aan de oude, omdat hij even raadselachtige zinnen uitspreekt als Lubbers, vóór hij premier werd, placht te doen, maar er zijn ook enkele vervelende verschillen. Zo is er bijvoorbeeld het feit dat Brinkman van iedere zeven woorden het laatste pleegt te herhalen, zulks na het uitstoten van een langdurig ah, ch, ih, uh. Bovendien kijkt de nieuwe leider niet, zoals Lubbers, gekweld, diepzinnig en vroom, maar straalt hij iets uit van platvloerse eenvoud en ordinaire machtsbelustheid: de ideale schoonzoon van Al Capone. En dan moeten we ook steeds weer horen over Jan, Janneke en de jonge kinderen.

Het valt dus inderdaad allemaal niet mee en het zal moeilijk genoeg worden op deze lijsttrekker te stemmen. Toch zal het moeten, want er is geen keus. Het valt immers niet moeilijk in te zien dat wij alles waar wij in dit land van genieten: rust, welvaart en sociale zekerheid, orde en regelmaat, luxe en calme, ordre en beauté (voor de volupté maak ik een uitzondering) te danken hebben aan het CDA. Dat is niet moeilijk in te zien, omdat het logisch volgt uit drie opvattingen die door elk met verstand en oordeelsvermogen uitgerust mens zullen worden onderschreven.

De eerste is dat de politiek er iets toe doet. Toegegeven moet worden dat dit de meest betwistbare opvatting is. Je kunt ook beweren dat de politiek er niet of nauwelijks toe doet, omdat de fundamentele en wezenlijke problemen van de menselijke existentie (leven en dood, geluk en ongeluk, liefde en eenzaamheid, kortom 'het menselijk tekort') niet door de politiek worden beïnvloed. Dat is een opvatting die juist in christendemocratische kringen nogal eens wordt aangetroffen en die tot een nogal zorgeloze en afstandelijke houding ten opzichte van het politieke bedrijf kan leiden. De CDA-leider Van Agt was een typische exponent van deze, onder katholieken niet ongebruikelijke, opgeruimdheid. Meer dan wat ook moet het deze houding geweest zijn die zijn PvdA-opponent Den Uyl, die precies het omgekeerde dacht, tot wanhoop heeft gebracht. Maar al kan men voor zulke vormen van twijfel en skepsis enig begrip hebben, praktische consequenties voor onze redenering hebben ze niet, omdat slechts zeer weinigen zullen ontkennen dat de politiek er in ieder geval iets toe doet en degenen die zelfs dat niet vinden al helemaal niet zullen gaan stemmen.

De politiek is dus van belang en dat brengt ons bij de tweede constatering: om politieke macht uit te oefenen moet je in de regering zitten. Oppositievoeren is niet zonder betekenis, al is het daar in de loop der laatste decennia steeds meer op gaan lijken; ook protest- en principepartijen hebben reden van bestaan, maar dat neemt niet weg dat alle politieke partijen proberen hun zetelaantal in de Kamer te vergroten. Dat doen ze om te kunnen regeren, want daar gaat het om. Regeren is niet alleen nodig om politici af en toe een prettige tijd te gunnen, maar ook om invloed of, zo men wil, macht uit te oefenen.

Welnu, vast staat dat de confessionele partijen sinds 1888 - en dat is al meer dan een eeuw geleden - meestal hebben geregeerd of althans meegeregeerd. Sinds 1918 hebben ze in geen enkele regering ontbroken, tussen de wereldoorlogen hebben zij het heft alleen in handen gehad en na de Tweede Wereldoorlog hebben zij op één enkele uitzondering na, het kabinet-Den Uyl, in die regeringen een dominerende plaats ingenomen. Meer dan enige andere partij hebben ze dus de laatste eeuw de politiek van ons land beheerst en hun stempel gedrukt op de veranderingen in de samenleving.

De derde vraag en de laatste die nog rest, is of ons land er in die eeuw beter of slechter op is geworden. Maar dat is natuurlijk helemaal geen vraag of ten hoogste een retorische, want het antwoord staat al vast. Dat is een luidkeels, hartgrondig en overtuigd: Ja! Ja natuurlijk! Natuurlijk is ons land erop vooruitgegaan! De welvaart is op fantastische wijze gestegen. Ons volk is thans drie of vier keer zo rijk als een eeuw geleden. Die welvaart is bovendien veel rechtvaardiger verdeeld. Inkomensverschillen bestaan nog steeds, maar ze zijn met vele factoren afgenomen. De rijken verdienen niet meer vijftien of twintig keer zo veel als de armen, maar zoiets als vier of vijf keer. Bovendien - en dat is nog belangrijker - hoeft niemand meer voor zijn bestaan te vrezen. Ziekte, oude dag, invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, voor alles is gezorgd. Arm of rijk, blank of zwart, ieder kind kan naar school (en moet naar school). Het onderwijs kent geen financiële barrières meer. De universitaire studies staan open voor ieder die het kan en voor bijna iedereen die het niet kan. Al is het helaas nooit zover gekomen dat de studenten hun eigen - of althans elkaars - cijfers mogen bepalen, ze mogen wel vertellen hoeveel uren per week ze willen werken en wat ze in zo'n uur kunnen doen. En ze onderhandelen daar harder en sluwer over dan een mijnwerkersleider uit Wales.

Dit zijn nog maar enkele van onze zegeningen, want er is nog veel meer tot stand gebracht: de dijken zijn versterkt, de wegen verhonderdvoudigd, de landbouw is veredeld, de visvangst vermenigvuldigd, de beste politieagenten waken over ons, de beste raketten beschermen ons, de pil zit in het ziekenfonds, de abortus is vrij, alle schrijvers worden in het buitenlands vertaald, de buurthuizen bloeien, de drugs zijn gelegaliseerd, de popconcerten en voetbalclubs worden gesubsidieerd, het kind wordt geprotegeerd, de vrouw geëmancipeerd, de minderheid gerespecteerd, ieder heeft een dak boven zijn hoofd. Kortom 't is alles boter tot de boom.

Een eeuw geleden was dit alles heel anders. Armoede, uitbuiting en landloperij waren troef; erbarmelijke woonomstandigheden, hongerlonen, slechte gezondheidszorg, discriminatie van vrouwen, uitbuiting van kinderen en minderen waren aan de orde van de dag; analfabetisme, bedelen, onderdrukking, klassejustitie waren normaal. Na een leven van moeizaam sappelen wachtte de meesten een onverzorgde oude dag in afwachting van een vroege dood.

Niet één van al deze verbeteringen is tot stand gekomen zonder dat de politiek dat proces op de een of andere wijze heeft beïnvloed of gestuurd. En wie hebben de politiek in heel deze eeuw van vooruitgang beheerst? Precies! de confessionelen. Altijd voorzichtig, nooit extremistisch, meegevend aan het verlangen naar vernieuwing en vooruitgang, maar zonder toe te geven aan de waan van de dag en de excessen van extremisme en radicalisering, wikkend en wegend, rustig te midden der woelige baren, standvastig, vastberaden, barmhartig hebben zij over ons gewaakt. En dat doen ze nog.

Het past ons allen daarvoor dankbaar te zijn en onze zegeningen te tellen, een voor een, alle dagen van de week en vele malen per dag. Laten wij dat dan ook doen en de confessionelen onze stem geven, want die is nodig om hun in staat te stellen dit zegenrijke werk voort te zetten.