Grieken bekruipt twijfel over boycot

ATHENE, 3 MAART. Toen de Griekse premier, Andreas Papandreou, twee weken geleden het handelsembargo tegen de noordelijke buurstaat Macedonië ('Skopje' voor de Grieken) afkondigde, hoopte menigeen dat dit een uiting van kracht was waarop meteen een concessie, of althans een positief gebaar van de regering-Gligorov zou volgen. Bijvoorbeeld een verandering van de vlag, waaruit volgens Athene het Griekse symbool van de zestien-stralige zon moet worden weggehaald.

Deze vlag is volgens velen in Griekenland ontworpen om ermee te kunnen onderhandelen. Tijdens overleg onder de voorafgaande Griekse regering-Mitsotakis was gebleken dat Skopje bereid was deze vlag te laten vallen, zij het dat daarvoor een tweederde meerderheid in het parlement zou zijn vereist.

Dit was een van de “verworvenheden” waarop Mitsotakis en zijn minister van buitenlandse zaken Papakonstandinou nog steeds prat gaan. Zij stellen dat Papandreou, door vlak na zijn machtsaanvaarding in oktober 1993 het overleg te bevriezen, deze en andere potentiële concessies heeft opgeofferd. “We moeten nu weer van voren af aan beginnen.”

Het embargo dat Papandreou zo eigenmachtig afkondigde riep in eigen kring herinneringen op aan de vastbesloten wijze waarop hij in 1987 reageerde op Turks krachtsvertoon in het noorden van de Egeïsche Zee. Kort daarop kwam het tussen de twee landen tot een opmerkelijke ontspanning die leidde tot de topontmoeting Papandreou-Özal in januari 1989.

Misschien verwachtte ook Papandreou zelf een dergelijke ontwikkeling, en er zijn nog waarnemers die geloven dat er een spectaculaire ontmoeting Papandreou-Gligorov in de lucht zit, waartoe een of meer concessies van de kant van Skopje het groene licht moeten geven. Maar onvoldoende wordt hier beseft dat Gligorov geen concessies kan doen onder pressie van een embargo.

Dit is een van de nadelen van Papandreou's initiatief, die sterker worden gevoeld naarmate de weken verstrijken zonder spectaculaire meldingen uit Skopje. Degenen van de rechtse oppositie die zich meteen tegen het embargo verzetten - met voorop Papakonstandinou - vinden er nog wel meer. Is er bijvoorbeeld geen gevaar dat de kleine nabuurstaat zich nu helemaal in de armen gooit van landen die zich daar maar al te gretig toe lenen: Albanië, Bulgarije en vooral Turkije? En zal de nu voor Skopje gesloten haven van Thessaloniki op den duur geen schade ondervinden van het feit dat kan worden teruggevallen op het Albanese Durrës en het Bulgaarse Boergas, waarvan de infrastructurele situatie allicht sterk zal worden verbeterd? Ten slotte: “Skopje heeft vrienden, wij niet”.

Maar de ernstigste terugslag is natuurlijk de reactie binnen de EU (Europese Unie), die heftiger was dan hier werd verwacht. Hoewel de embargo-gezinde pers het vooruitzicht van een juridische procedure tegen Griekenland voor het Europese Hof, aan te spannen door de Europese Commissie, bagatelliseert, wordt hier en daar al een alarmsein gehesen. En dat het Griekse voorzitterschap, waarvan een ieder zich toch heel wat voorstelde, schade heeft opgelopen, kan niet nalaten indruk te maken.

Onder deze omstandigheden kan men zich gaan afvragen of Papandreou's initiatief, als het niet spoedig door spectaculaire meldingen uit Skopje wordt gevolgd, politiek niet in zijn nadeel zal werken, juist omdat het helemaal aan hem kan worden toegeschreven. In bredere kring zou kunnen worden beseft dat hier sprake was van een beoordelingsfout, zoals Papandreou's felle afwijzing van het recente NAVO-ultimatum in Bosnië of, veel eerder, zijn waarschuwing dat de Golfoorlog “langdurig en slepend” zou zijn. Reeds komt het tot voorzichtige en verspreide kritiek binnen zijn eigen PASOK, die in april haar derde congres houdt. Daar wordt van de wat mysterieuze adjunct-minister van buitenlandse zaken Pángalos, die duidelijk afstand neemt van zijn premier, een dynamische opstelling verwacht.

De rechtse oppositiepers stelt zich, na aanvankelijk lichte instemming, in toenemende mate open voor de bijtende bezwaren die door bovengenoemde kopstukken, maar ook door oud-minister van handel Adrianopoulos worden aangetekend tegen wat al “Zwarte woensdag” (16 februari, de dag waarop het embargo werd afgekondigd) wordt genoemd. Oppositieleider Miltiades Evert voert zijn eigen bijval terug op “patriottische noodzaak” die de “vele en grote problemen” waarmee hij worstelt moet overvleugelen.

Alleen de ultra-nationalistische partij Politieke Lente van oud-minister van buitenlandse zaken Samarás verdedigt het embargo als een “maatregel die al veel eerder had moeten zijn genomen” en die liefst door hardere moet worden gevolgd.

Maar er is een nog schokkender interpretatie mogelijk. Papandreou zou zijn boud buitenlands beleid afstemmen op zijn grote ambitie: het verwerven van het presidentschap van de republiek in mei volgend jaar, als de huidige president, Karamanlis, moet aftreden. Het parlement moet daarvoor een drievijfde meerderheid opbrengen van 180 zetels. De tien zetels waarover Samarás beschikt moeten dus als aanvulling dienen voor de 170 van de PASOK. Het alternatief vormt vervroegde parlementsontbinding, waarvan de PASOK niet is gediend. Het klinkt te bedacht en egocentrisch. “Maar hij is ertoe in staat”, zei een verstokte tegenstander grimmig.

    • F.G. van Hasselt