Galbraith pleit voor een 'fatsoenlijke' samenleving

DEN HAAG, 3 MAART. Tegendraadsheid is zijn intellectuele handelsmerk. John Kenneth Galbraith, de inmiddels 85-jarige Canadees-Amerikaanse econoom, emeritus hoogleraar van Harvard, adviseur van Amerikaanse presidenten, auteur van economische bestsellers en sociaal bewogen criticus toonde zich, gisteren in de Haagse Ridderzaal, wars van de waan van de dag in het Nederlandse sociaal-economische debat. Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de stichting Forum voor stedelijke vernieuwing sprak Galbraith over 'de problemen van de gefortuneerde samenlevingen'. Zijn gehoor bestond uit gemeentelijke bestuurders die hun zorgen over de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen even van zich af konden zetten om te luisteren naar een ouderwets betoog over sociaal-democratische economische waarden.

De legendarische Galbraith hield een pleidooi voor een 'goede samenleving', waarin een sociale onderklasse “niet mag en niet kan bestaan”. Met als uitgangspunt zijn jongste boek, De politiek van de zelfgenoegzaamheid, hield hij de lokale bestuurders voor dat de stedelijke onderklasse betrokken moet blijven bij de politiek. Alsof hij de doorbraak in de grote steden van extreem rechts bij de verkiezingen voorvoelde, waarschuwde hij: “Democratie is onvolledig als de meest kwetsbare groepen niet deelnemen aan het politieke proces.”

In moderne samenlevingen bestaat, aldus Galbraith, een nieuwe klasseverdeling tussen de “gerieflijk gesitueerden” en een “verarmde onderklasse” die het werk doet en het leven van de beter gesitueerden veraangenaamt. “De onderklasse is veroordeeld tot een leven van eeuwige armoede”, zei hij.

Geënt op de situatie in de Verenigde Staten stonden de aanbevelingen van Galbraith haaks op de richting in het Nederlandse sociaal-economische beleid. Iedereen heeft recht op een behoorlijk inkomen en een baan. Als de markt daar niet voor zorgt, moet de overheid dat doen. Bijstand is onmisbaar en misbruik moet daarbij geaccepteerd worden. Iedereen moet toegang hebben tot gezondheidszorg en onderwijs. En natuurlijk moet sprake zijn van een redelijk rechtvaardige inkomensverdeling.

De markt is onovertroffen in de produktie van goederen en diensten, maar sommige dingen kan de markt niet goed: volkshuisvesting, openbare voorzieningen, gezondheidszorg, investeringen in onderzoek, milieubeleid en een goed werkende economie. Op deze terreinen moet de staat ingrijpen, betoogde Galbraith. Ter bestrijding van de recessie in de 'gefortuneerde landen' stelde hij meer overheidsinvesteringen en meer overheidsbanen voor.

Voordat Galbraith zijn pleidooi voor een fatsoenlijke samenleving hield, onderstreeptde prof. dr. A. van der Zwan de ernst van de situatie van de onderklasse in de grote Nederlandse steden. De opmars van de dienstverlening, ten koste van traditionele ambachtelijke en industriële activiteiten, heeft de spankracht en vitaliteit van de steden uitgehold, aldus Van der Zwan. Door de afkalving van laaggeschoolde werkgelegenheid sinds het midden van de jaren zeventig is in sommige wijken de afhankelijkheid van uitkeringen opgelopen tot tegen de honderd procent. Van der Zwan waarschuwde voor het ontstaan van een cultuur van de armoede waarbij kinderen het uitzichtloze perspectief van hun ouders overnemen en inactiviteit van de ene generatie op de andere wordt overgedragen.

Met statistieken, geprojecteerd op de muur van de Ridderzaal, liet Van der Zwan zien hoe de grote steden, in het bijzonder Den Haag, de afgelopen twintig jaar zijn achtergebleven bij de groei van de werkgelegenheid en bij de arbeidsparticipatie van vrouwen (“het beste criterium voor vitaliteit”) en voorop lopen bij sociale uitgaven.

Het vernieuwingsbeleid in de grote steden zal drastisch herzien moeten worden, aldus Van der Zwan, en zich directer moeten richten op arbeidsinschakeling. Uitkeringsafhankelijkheid moet doorbroken worden met grotere dwang bij het aanvaarden van werk. De stedelijke arbeidsmarkt moet zich minder eenzijdig op kantooractiviteiten richten en meer ruimte moeten scheppen voor de vestiging van kleine bedrijven.

    • Roel Janssen