Fraudeverdenking in HCS-zaak

AMSTERDAM, 3 MAART. Het openbaar ministerie in Amsterdam vervolgt topman J. van den Nieuwenhuyzen van het Begemann-concern in de HCS-zaak niet alleen op verdenking van misbruik van voorwetenschap maar ook wegens valsheid in geschrifte.

Volgens betrouwbare bronnen wordt ook het effectenhuis Suez Kooijman, tegenwoordig Suez Nederland Securities geheten, vervolgd wegens valsheid in geschrifte. Van de Nieuwenhuyzen en Suez Kooijman zouden valse nota's (affaire-lijsten) hebben opgesteld.

Op 22 en 23 maart zullen de verdachten in de HCS-affaire voor de rechter moeten verschijnen. Van den Nieuwenhuyzen, financier L. Melchior en E. Albada Jelgersma, topman van Unigro, worden vervolgd op verdenking van misbruik van voorwetenschap. Tijdens een bijeenkomst in juli 1991 zouden de drie een afspraak hebben gemaakt de koers van emissie van het noodlijdende HCS kunstmatig te drukken. De volgende dag verkochten de grootaandeelhouders massaal aandelen HCS waardoor de koers omlaag dook. Van den Nieuwenhuyzen liet zijn transacties lopen via Suez Kooijman.

Van de Nieuwenhuyzen en Albada Jelgersma willen hun onschuld nu voor de rechter bewijzen, omdat ze zakelijk en privé voortdurend schade oplopen als gevolg van de publiciteit rond de zich al tweeëneenhalf jaar voortslepende affaire. Melchior heeft daarentegen bezwaar aangetekend tegen de vervolging. De raadkamer van de Amsterdamse rechtbank beslist morgen of ook Melchior over twee weken voor de rechter moet verschijnen.

De strafzaak tegen de drie hoofdverdachten is nu al een keerpunt in de bestrijding van misbruik van voorwetenschap in Nederland, ook als de rechter straks oordeelt dat de drie zich niet schuldig hebben gemaakt aan misbruik van voorwetenschap. Nederland heeft in 1989 misbruik van voorwetenschap strafbaar gesteld, later dan landen als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, maar eerder dan bij voorbeeld Duitsland dat dit pas vorig jaar deed. Op deze praktijken, waarbij beleggers profiteren van informatie die alleen in kleine kring bekend is, staat een gevangenisstraf van maximaal twee jaar.

Het openbaar ministerie meent nu over voldoende bewijs te beschikken dat Van den Nieuwenhuyzen, Melchior en Albada Jelgersma begin augustus 1991 misbruik hebben gemaakt van voorkennis die zij op 31 juli hadden verworven. Op die dag vergaderden de directie en de commissarissen van HCS samen met financiers - ABn Amro, ING en Credit Lyonnais Bank Nederland - en de eerder genoemde drie aandeelhouders over een financiële injectie voor het noodlijdende bedrijf. De vraag is nu of op die bewuste dag ook is afgesproken tot welke koers het aandeel HCS moest dalen. De drie aandeelhouders beweren van niet. Andere betrokkenen hebben inmiddels laten weten dat wel degelijk over een richtkoers is gesproken.

Betrokkenen menen dat de rechtzitting in de HCS-affaire veel stof zal doen opwaaien. De drie hoofdverdachten zullen overwegen om via de officiële getuigenverhoren munitie te verzamelen voor een proces tegen ABN Amro, de bank die nauw betrokken was bij de HCS-zaak. De verwachting is dat ook ABN Amro-bestuurder R. Groenink, indertijd aanwezig bij de reddingsoperatie van HCS, als getuige zal worden gehoord. Hij speelde een hoofdrol tijdens een besloten vergadering van banken en grootaandeelhouders van HCS op 30 juli 1991 waarin de gewraakte emissie ter sprake kwam. De drie grootaandeelhouders kunnen wellicht mede op grond van Groeninks' getuigenis ABN Amro aansprakelijk stellen voor de schade die ze leden als gevolg van de ondergang van HCS.